

Ritzen
treedt terug
Het kabinet houdt de burgers van dit land regelmatig
voor dat de regering aanhanger is van het principe van
een terugtredende overheid. De praktijk is in ieder
geval anders op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschappen. De directeur wetenschapsbeleid kondigde
een paar weken gelden aan dat het ministerie het gedrag
van onderzoekers in Nederland niet langer kan tolereren.
De topambtenaren gaan de onderzoekers dwingen om hun
onderzoek om te buigen in een richting die voor de maatschappij
van meer nut zal zijn.
Tijdens de besprekingen over het regeerakkoord van
het paarse kabinet waren alle onderhandelaars van mening
dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
flink zou moeten inleveren. Vooral de universiteiten
moesten het ontgelden. Enkele van de stuitende 'vingeroefeningen'
van topambtenaren werden naar buiten gelekt om de maatschappelijke
weerstand in te schatten.
Het kakelende kamerlid Rick van der Ploeg dacht loyaal
mee en wilde een kip met gouden eieren slachten. Hij
kwam met de belachelijk suggestie om de sterrenkunde
in Nederland af te slanken en te concentreren. De Nederlandse
sterrenkunde behoort tot de wereldtop, iets wat niet
van de economie van Van der Ploeg en de zijnen gezegd
kan worden. De uit paarse bezuinigingswoede voortgekomen
maatregelen worden laf verkocht als operaties die dienen
om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen.
Ritzen heeft aangekondigd dat hij een brede maatschappelijke
discussie wil over de toekomst van Nederland als kennisland.
Of we even allemaal willen meedoen met hem gratis advies
en steun te geven. Wat hij er vergat bij te zeggen is
dat hij alleen raadgevingen wenst te ontvangen die een
ondersteuning vormen van zijn eigen ideeën.
Op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
vinden ze dat het kwaliteit van het wetenschappelijk
onderzoek en onderwijs voortdurend moet worden gecontroleerd.
Hiervoor worden commissies ingesteld: vijf tot tien
uitverkoren 'verkenners' mogen een 'verkenningscommissie'
vormen. Zo'n commissie dient een uitvoerig rapport op
te stellen. Het schrijven hiervan is een enorme klus.
De minister houdt gewoon een aantal eminente geleerden
maandenlang af van hun werk zonder hen er iets voor
te betalen. .
Onlangs werd ten behoeve van de minister het wetenschappelijke
onderwijs in de natuur- en sterrenkunde onder auspiciën
van de VSNU (Vereniging van Samenwerkende Nederlandse
Universiteiten) doorgelicht. De visitatie werd door
de negen faculteiten goed voorbereid. Ze waren maanden
bezig om het benodigde cijfermateriaal te vergaren.
Nog veel meer werk werd verzet door de leden van de
commissie. Met o.a. intensieve bezoeken aan alle faculteiten.
.
De minister zal wel blij geweest zijn met het gedegen
rapport van de commissie, zou je denken. Mooi niet.
De leden van de verkenningscommissie hadden namelijk
verzuimd van te voren aan Ritzen te vragen met wat voor
conclusies ze zouden moeten komen in hun eindrapport.
De commissieleden waren zo dom om hun eigen verstand
te gebruiken en een onafhankelijk eindoordeel te geven.
.
Een van belangrijkste conclusies van deze verkenningscommissie
was dat er geen verschil is tussen de opleidingen aan
de gewone universiteiten en die aan de technische universiteiten.
De cursusduur aan de technische universiteiten is vijf
jaar en die aan de gewone is vier jaar. Op beide type
instellingen doen de studenten gemiddeld vijf en een
half jaar over hun studie. Geen student ziet kans om
in vier jaar af te studeren. De verkenningscommisie
adviseerde om de cursusduur van de opleiding natuurkunde
aan de gewone universiteiten ook te brengen op vijf
jaar.
Dit advies sloeg in Zoetermeer in als een bom. Als
natuurkunde vijf jaar zou krijgen, zou dat ook moeten
gelden voor scheikunde en wiskunde. Wat deed de minister
met het rapport van de verkenningscommissie voor het
onderwijs in de natuur- en sterrenkunde? Hij heeft iets
gedaan wat niet geen zinnig mens kan bedenken: Hij heeft
het rapport 'afgekeurd'.
Nederland wil kennisland worden met goede technische
opleidingen, maar het moet niets kosten. Trouwens voor
de meeste problemen die op ons af komen, vindt de overheid
pragmatische oplossingen, waar geen geleerden voor nodig
zijn en waar ook geen geleerde op zou zijn gekomen.
Het fileprobleem bijv. lossen we op door de vluchtstrook
af te schaffen. Vluchten kan niet meer.
Ik hoop dat geen wetenschapper zich nog laat lenen
voor een verkenningscommissie voor deze minister. Behalve
als er een verkenningscommisie zou komen die de kwaliteit
van zijn ministerie zou moeten onderzoeken. Ik ben bereid
om al mijn taken voor lange tijd aan de kant te zetten
om in die commissie zitting te nemen.
terug naar index

Het
matras-effect
Iedereen kent wel enkele van de Grote Vragen. Heel
bekend zijn: Hoe is het allemaal begonnen? en: Wat is
bewustzijn? Mensen die beweren een antwoord te hebben
op een Grote Vraag, kunnen rekenen op veel aandacht.
Hoe onzinnig hun antwoord ook is.
De verleiding om het publiek voor te liegen over de
beantwoording van de Grote Vragen is groot, ook voor
een wetenschapper. Zo'n onderzoeker wordt ziener en
mag aanschuiven bij het oeverloze geouwehoer over hoe
alles met alles samenhangt.
Natuurwetenschappers houden zich in hun werk niet bezig
met grote verbanden en zeker niet met Grote Vragen.
Zij onderzoeken een klein gebiedje. Ze kunnen ze zich
niet permitteren om zich te laten afleiden door wat
daarbuiten gebeurt. De onderzoekers kunnen enthousiast
over hun vorderingen praten, maar de buitenwereld vindt
dat gespit op de vierkante millimeter ongenietbaar.
Zijn er dan tegenwoordig geen gemeenschappelijke principes
meer te onderkennen in het geheel van de wetenschappen?
Dergelijke begrippen zouden juist wel op de belangstelling
van de buitenwereld kunnen rekenen. Die gemeenschappelijke
principes zijn er wel degelijk. Ik zal een van de belangrijkste
zo noemen. In dit begrip speelt een zeeman een centrale
rol. Dat hoeft ons niet te verbazen. Het waren zeelieden
van de grote vaart die aantoonden dat de aarde niet
plat was. De zeeman is altijd een bron van inspiratie
geweest voor de wetenschap.
Het principe dat ik op het oog heb, is de 'wandeling
van de dronken zeeman'. Ook 'willekeurige wandeling'
genoemd. De naamgeving stamt van het begin van deze
eeuw, maar gelijksoortige ideeën werden al veel eerder
gebruikt, bijv. door Christiaan Huygens. Wat behelst
dit grandioze idee?
Een zatte zeeman komt uit een café en gaat op weg naar
huis. Hij loopt in het wilde weg. Hij maakt (ongeveer)
even grote stappen in steeds een willekeurige richting.
Waar zal hij zich bevinden na een bepaald aantal stappen?
Hier moeten we de kansberekening op los laten: Wat is
de kans dat de dronken zeeman zich na zoveel stappen
op die bepaalde plek zal bevinden? De oplossing van
dit probleem is in elk goed natuurkundeboek te vinden
(bijv. in The Feynman Lectures on Physics, Addison-Wesley
).
De wandeling van de zeeman vindt plaats in twee dimensies
(in de lengte en in de breedte). Deze gang kan uitgebreid
worden naar drie dimensies: een wandeling van een dronken
ruimtewandelaar met ook stappen naar boven en beneden
toegestaan. De wandeling van de dronken zeeman wordt
dagelijks gebruikt in de wiskunde, natuurkunde, scheikunde
en biologie, en zelfs daarbuiten.
Een concrete toepassing: Licht plant zich als een dronkeman
voort door een wolk, van waterdruppel naar waterdruppel.
Andere praktische voorbeelden: De verspreiding van een
druppel limonade in een glas water. De geleiding van
elektrische stroom door materialen. De geleiding van
warmte door gassen, vloeistoffen en vaste stoffen. Het
verlopen van een chemische reactie. De vorm van een
polymeer. Bij de verklaring van deze verschijnselen
staat de wandeling van de dronken zeeman centraal.
Uit het bovenstaande blijkt hoe inspirerend het leven
van een zeeman kan werken. Ik geef nog een voorbeeld
met een zeeman. Alleen is hij deze keer niet dronken.
In de natuur blijkt dat deeltjes elkaar soms aantrekken,
terwijl ze volgens de geldende theorie elkaar zouden
moeten afstoten. Deze omslag is een belangrijk onderdeel
van het verschijnsel supergeleiding. Supergeleiding
houdt in dat elektriciteit stroomt zonder energie te
verliezen. Toepassing van dit effect zou een fikse daling
van het elektriciteitsverbruik inhouden. Supergeleiding
blijkt pas op te treden als elektronen, die elkaar onder
normale omstandigheden afstoten, elkaar plotseling blijken
aan te trekken. Hoe kan dat?
Hier komt de zeeman weer. Deze keer is hij getrouwd.
Op een avond komt hij thuis van een lange zeereis, een
paar dagen eerder dan verwacht. Hij heeft zich dagen
niet geschoren en gewassen. Zijn dagelijkse menu bestond
uit haring met uien. Bij zijn aankomst heeft zijn vrouw
de krulspelden nog in. Zij vinden elkaar afstotend.
Eenmaal in bed, proberen ze zover mogelijk uit elkaar
te gaan liggen. Dat is het model voor afstoting.
Maar de zeeman is zwaarlijvig. Als hij in bed ligt,
ontstaat een grote kuil in het matras. Ondanks de afkeer
voor haar man rolt de vrouw in de kuil en eindigt in
zijn armen: aantrekking door het matras-effect.
Met voorbeelden uit het leven gegrepen, kan je principes
uit de wetenschap glashelder demonstreren. De voorbeelden
die ik gegeven zullen wel niet politiek correct zijn,
maar dat zal mij een zorg zijn.
terug naar index

ZOAB
opera's
Tot ieders verbazing heeft de winter toegeslagen in
de maand december. Ontelbare regionale, maar ook de
landelijke radiostations raakten er niet over uitgepraat.
De ellende was er dan ook naar. Arme Nederlandse toeristen
zaten dagenlang vast in het Oostenrijkse Lech. Maar
ook in eigen land werd de mobiliteit bedreigd.
Welk natuurverschijnsel was verantwoordelijk voor de
grote overlast en schade? Het bleek dat als de temperatuur
tot beneden het nulpunt daalt, waterdruppels veranderen
in sneeuwkristallen en wateroppervlakken in ijs. En
ijs is glad. Vooral van deze laatste boodschap werd
de nieuwswaarde hoog ingeschat.
In geen van de programma's werd uitgelegd wat de functie
van het strooien met zout is. Waarschijnlijk kwam dit
door tijdgebrek. Avro's Radiojournaal moest bijvoorbeeld
ook nog tijd inruimen voor informatie over een andere
menselijke beproeving. Er werd een reportage van een
conferentie over reïncarnatie uitgezonden. Op die samenkomst
deden mensen verslag van hun vorig leven op het verzonken
mythologische eiland Atlantis.
Hoe het strooien met zout werkt? Als je in water een
kleine hoeveelheid van een andere stof - zoals zout
of suiker - oplost, wordt het vriespunt van de oplossing
lager dan die van zuiver water. Bij de combinatie van
water en keukenzout kan het vriespunt dalen tot 21 graden
onder nul. Zo koud wordt het bij ons niet. Dit betekent
dat de zout-ijscombinatie altijd een lager vriespunt
heeft dan de heersende temperatuur, zodat ijs op de
weg gaat smelten als er zout op gestrooid wordt.
Waarom het vriespunt daalt? Bij de overgang van vloeibaar
water naar vast water (ijs) wordt de orde hersteld.
De waterdeeltjes mogen in het ijs niet meer door elkaar
heen lopen, maar moeten op een vaste plaats gaan zitten.
Door de aanwezigheid van de vreemde zoutdeeltjes is
het echter veel moeilijker geworden om de orde te handhaven.
Dat lukt dan ook niet meer bij een temperatuur van nul
graden. Als je toch alle deeltjes in het gelid wilt
krijgen, moet je grovere middelen gebruiken. Dat middel
is de temperatuur verlagen: het geheel bevriest bij
een lagere temperatuur.
Het vroor in ons land, en er werd met zout gestrooid.
Toch bleven de snelwegen glad. Wie was de schuldige?
Op die vraag wilde het volk en de volksvertegenwoordiging
antwoord hebben.
De ingenieurs van Rijkswaterstaat hadden gefaald. De
wegenbouwers hadden 'nieuwe materialen' toegepast. Dat
kan je ze niet kwalijk nemen. Wie kan het zich in deze
tijd nog permitteren door te gaan met het gebruiken
van oude materialen? Het wegdek moest worden gemoderniseerd.
Het ZOAB, het Zeer Open Asfalt Beton, werd ingevoerd.
Dit nieuwe materiaal dempt het autogeluid goed en regenwater
wordt er snel door afgevoerd.
Asfalt met gaten. Briljant, maar niet origineel. Bewoners
van Amsterdam zijn al jaren gewend aan het verschijnsel
van de ZOB, de Zeer Open Bestrating: een wegdek vol
met gaten. De ervaring in Amsterdam leert echter dat,
in tegenstelling tot wat van het ZOAB beweerd wordt,
het water juist blijft staan in die gaten.
Bij ijzel zijn er problemen met ZOAB. Al het gestrooide
zout komt in de gaten en er blijft niets op de bovenkant
liggen. IJs dat zich afzet op deze bovenkant smelt niet
en zorgt voor een gladde weg. Verder bevindt zich ijs
in de gaten van de weg. Dit ijs smelt te langzaam
omdat het niet efficiënt gemengd wordt met zout. Dit
smelten gaat sneller op tradioneel asfalt omdat op het
dichte wegdek verkeer ervoor zorgt dat ijs en zout goed
gemengd worden.
De wegenbouwers hebben zich geërgerd aan de klagende
automobilisten, want hun ZOAB deugt wel, maar: 'de mensen
willen hun rijstijl niet meer aanpassen'. Dat hadden
ze kunnen weten. Dit is de tijd van de individualisering.
Aanpassen aan de natuur doet de consument niet. De natuur
dient zich aan ons aan te passen. Zo niet, dan moet
de natuur ook de 'gesel van de markt' maar eens voelen.
Genoeg over deze ZOAB opera. Soap-opera's en zeepbellen,
dat is wat media en volksvertegenwoordigers ons brengen.
Van nature zijn zeepbellen en zeepfilms fascinerend.
Zeepbellen kunnen alle kleuren van de regenboog vertonen.
Ze kunnen zo uit elkaar spatten. De studie van de vorm
van zeepfilms heeft geleid tot belangrijke ontwikkelingen
in de meetkunde. Veel grote geleerden hebben in het
verleden bijgedragen aan de kennis van zeep. De zeepindustrie
heeft veel geld verdiend door deze kennis toe te passen.
Met dat geld heeft die industrie draken van tv-programma's
gesponsord: de soap-opera's.
Zo ontkomt uiteindelijk geen enkele prachtige uitvinding
aan de verzeping. Boekdrukkunst, radio, tv, en telefoon.
Het is allemaal soap. Soms zou je een ontdekking wel
weer ongedaan willen maken. Of zoals de Engelsen het
zo mooi zeggen: 'uninvent the wheel'.
terug naar index

Papa's
syndroom
Gedurende zijn hele leven streeft een geleerde ernaar
om een ontdekking te doen. Bij succes zal de mensheid
de weldoener belonen met eeuwige roem. Deze zucht naar
glorie van wetenschappers getuigt van wereldvreemdheid.
Roem vergaren in de wetenschap is zo goed als onmogelijk.
Gedurende de laatste twee duizend jaar is het slechts
twee natuurkundigen gelukt met hun wetenschappelijke
prestaties in de geschiedenisboeken te komen: Isaac
Newton en Albert Einstein.
In deze postmoderne tijd lijkt het beeld nog somberder:
Volgens spraakmakende zwartkijkers is het einde van
de natuurwetenschap bereikt. Het feest is voorbij. Alle
fundamentele ontdekkingen zijn gedaan in de natuurwetenschappen.
Beroemd worden met een wetenschappelijke prestatie is
nu helemaal niet meer mogelijk. Einstein was de laatste
grote geleerde. Op de bazaar is de grabbelton met ontdekkingen
leeg. In het begin van deze eeuw graaide Niels Bohr
er de laatste troostprijs uit. Op is op.
De stelling dat Einstein de laatste grote geleerde
was, zal ferm worden tegengesproken door kenners van
de Oudheid. De classici zullen volhouden dat er na het
gedicht 'De Rerum Natura'
van Lucretius (99-55 v.Chr) eigenlijk niets meer van
betekenis is gedaan in de natuurwetenschap.
Ook zullen er filosofen zijn die de stelling dat de
wetenschap nu echt afgelopen is, weerspreken. Volgens
hen is het namelijk nog nooit begonnen: Een mens kan
helemaal niets ontdekken, want alles is er al.
Maar ook de meeste natuurwetenschappers vinden het
nonsens om te beweren dat de tijd van de grote ontdekkingen
in de natuurwetenschap voorbij is. Wie zijn dan eigenlijk
die enkele kortzichtige onderzoekers die verklaren dat
de gehele natuurwetenschap, of een groot deel ervan,
af zou zijn.
Meestal betreft het een geleerde die zelf in het verleden
een magistrale prestatie heeft geleverd. Deze papa vindt
dat dank zij zijn bijdragen het gebied helemaal begrepen
is. Papa geniet van zijn status en rust op zijn lauweren.
Maar potverdorie, zijn partijtje wordt wreed verstoord
door de volgende generatie jonge honden. Deze komen
met afwijkende ideeën en tonen geen respect voor Papa.
Papa wordt er ziek van. Hij gaat als voorbeeldig lid
van de gevestigde orde de nieuwe prestaties bagatelliseren.
Papa veroordeelt de nieuwe ideeën op niet-wetenschappelijke
gronden: de nieuwe theorie is te wiskundig, te prematuur,
niet mooi. Deze papa's zijn niet gevaarlijk voor de
wetenschap. Zij worden weggezuiverd door de dictatuur
van de waarheid.
Veel gevaarlijker wordt het als bestuurders die als
taak hebben fundamenteel wetenschappelijk onderzoek
te stimuleren, verklaren dat alle grote ontdekkingen
in de wetenschap reeds gedaan zijn. Welke bestuurder
durft zulke kletskoek te verkopen? Borgman durft dat,
in een recent interview ( Vrij Nederland van
7 januari).
Borgman is niet zo maar iemand. De hooggeleerde Borgman
was tot 1 januari de machtigste man van Nederland op
het gebied van fundamenteel onderzoek. Hij was zes jaar
lang voorzitter van NWO (Nederlandse Organisatie voor
Wetenschappelijk Onderzoek). Volgens Borgman hebben
we ook geen behoefte meer aan nieuwe ontdekkingen. Het
wordt tijd dat we met vereende krachten gaan werken
aan de toepassingen van de wetenschap.
Volgens Borgman zijn er de laatste dertig jaar geen
grote ontdekkingen meer gedaan. Zulke praat getuigt
van onbegrip van het karakter van natuurwetenschap.
Ik zal een van de vele grote ontdekkingen aangeven.
In de natuurkunde is het van essentieel belang te begrijpen
hoe, uitgaande van individuele bouwstenen, collectief
gedrag tot stand komt. Al generaties lang bijten onderzoekers
hun tanden stuk op deze gezamenlijkheid. Bij de studie
van een bepaald soort collectief gedrag, de faseovergang,
is er de afgelopen dertig jaar sprake van een doorbraak.
De overgang van een vloeistof naar damp is een voorbeeld
van een faseovergang. In het geval van de overgang vloeistof-damp
besluiten ontelbare aantallen deeltjes (moleculen) om
tegelijkertijd de vloeistof te verlaten en te gaan genieten
van de vrijheid van de damp. Duidelijk een vorm van
massahysterie.
Dankzij mensen als Lev Landau (Nobelprijs 1962), Lars
Onsager (Nobelprijs 1968) en Kenneth Wilson (Nobelprijs
1982) begrijpen we faseovergangen tegenwoordig. Dat
noem ik een grote ontdekking. Voor de wetenschap belangrijker
dan de algemene relativiteitstheorie van Einstein.
Als ik op de laboratoria om mij heen kijk, zie ik de
bloem van de natie. Nieuwsgierige en leergierige studenten.
Met in hun ogen een vuur dat zich niet laat blussen.
Door geen enkele zure papa.
terug naar index

Ingenieurs
slaan terug
Onder mijn beste vrienden bevinden zich ingenieurs.
In mijn eigen groep bevinden zich ingenieurs. Kortom:
ik heb niks tegen ingenieurs. Toch voelen ingenieurs
en hun medestanders zich verongelijkt door mijn columns.
Hun reacties dienen besproken te worden. Vandaag dan.
Mijn column Puin ruimen over Lawandy heeft
de meeste irritatie veroorzaakt bij de ingenieurs. Deze
onderzoeker is werkzaam op de faculteit voor ingenieurswetenschappen
van een Amerikaanse universiteit. Ik schreef dat een
recent wetenschappelijk artikel van zijn groep in het
tijdschrift Nature geknoei was.
De auteurs van dat bewuste artikel claimden met veel
tamtam dat zij een nieuwe lichtbron, een goedkope laser,
ontdekt hadden. Na een herhaling van deze experimenten
onzerzijds bleek dat er van deze claim niets overbleef.
Ik kondigde aan dat ons commentaar op dat artikel binnenkort
in Nature zou verschijnen. De meeste arbeid
bij onze schoonmaakactie is trouwens verzet door mijn
collega's Diederik Wiersma en Meint van Albada.
De ingenieurs die Puin ruimen hadden gelezen,
hebben de laatste twee maanden elke uitgave van het
weekblad Nature nauwkeurig bekeken, om te controleren
of ik de waarheid had gesproken. Voor een aantal van
hen zal het de eerste keer zijn dat ze dit tijdschrift
ingekeken hebben. Twee weken geleden is onze kritische
reactie in Nature verschenen. Wat blijkt? Lawandy
mocht van Nature een weerwoord publiceren, dat
direct achter onze kritiek werd geplaatst. Hierin geeft
hij zijn fouten niet toe. Wie heeft er gelijk?
De eerste versie van het repliek van Lawandy had de
redactie van Nature aan ons laten lezen. Die
was lang en bevatte de resultaten van een nieuw
experiment. Zijn eerdere experimenten waren blijkbaar
toch niet overtuigend genoeg. Dit nieuwe experiment
hebben we ook afgeschoten. Na kennis genomen te hebben
van deze nieuwe kritiek van ons trok Lawandy deze versie
van zijn weerwoord in.
In het korte, werkelijk gepubliceerde weerwoord, komt
hij met weer een nieuw experiment, deze keer
veel minder spectaculair. Dit weerwoord hadden wij niet
vooraf te zien gekregen. De laatste zin ervan is een
lachertje. Daarin benadrukt Lawandy dat een bepaald
experiment van ons fout is omdat ons resultaat verschilt
van zijn resultaat. In werkelijkheid is het verschil
terug te brengen tot het gebruik van een andere lichtdetector,
zoals wij heel duidelijk hadden aangegeven in ons commentaar.
Lawandy is vaker, door anderen, publiekelijk beschuldigd
van geknoei. De heren ingenieurs kunnen overigens gerust
zijn: Lawandy is geen ingenieur. Ik heb alleen geschreven
dat hij bij de ingenieurswetenschappen werkt. Hij is
natuurkundige.
Waar ik mij tegen verzette in de desbetreffende column,
is het hysterische belang dat tegenwoordig gehecht wordt
aan toegepast onderzoek. Deze uitwas wordt gesymboliseerd
door de opkomst van de ingenieurs in wetenschappelijk
onderzoek.
Het probleem met ingenieurs is hetzelfde als met Duitsers:
Hun gevoel voor humor is ver te zoeken. Op een enkele
uitzondering na. Bijvoorbeeld Dr Ir Van Deventer. Hij
heeft mij zijn dikke proefschrift toegestuurd over telecommunicatie.
Ir Van Deventer daagt mij uit om aan te geven waar precies
in zijn proefschrift de wetenschappelijke 'troep' staat,
die ingenieurs volgens mij zouden produceren. U begrijpt
dat ik daar nog wel even mee bezig ben.
Er was ook een reactie van een collega-columnist. Op
zulke aanvallen reageer ik met tegenzin. Ik wil vermijden
lid te worden van de correspondentie-club waarvan de
leden elkaar over de hoofden van de lezers lastig vallen
op de verschillende opiniepagina's van dag- en weekbladen.
Aansluiting zoeken bij die club is wel verleidelijk.
Nooit meer nadenken over een onderwerp voor een volgende
column. Gewoon reageren op de reacties van anderen.
Maar vandaag maak ik voor Hans Achterhuis een uitzondering
op mijn principe. Achterhuis is filosoof op een ingenieurschool.
Ethische kwesties over leven en dood en de techniek
zijn enkele van zijn vele specialiteiten. Hij is columnist
van De Ingenieur . Achterhuis heeft zich opgewonden
over mijn column Stop de ingenieurs
De redenering van Achterhuis is als volgt: 'Uw column
gaat over toegepast onderzoek, maar in werkelijkheid
bedoelt u iets geheel anders. U ergert zich namelijk
aan het feit dat de technische universiteiten toestemming
hebben gekregen om de studieduur voor technische studies
te verlengen met een jaar.' Vervolgens gaat Achterhuis
te keer tegen dingen die ik helemaal niet gezegd heb.
Misschien is het voor Achterhuis moeilijk te vatten,
maar het is mijn gewoonte om te zeggen wat ik bedoel.
terug naar index

Beschaving
De universiteiten liggen onder vuur. Meestal betreft
de kritiek het onderwijs. Maar ook het universitaire
onderzoek moet het ontgelden Onder het mom van het algemeen
belang en gesteund door het politieke klimaat worden
de universiteiten geschoffeerd door de klagers. Hun
klaagzang bevat de volgende simplistische elementen:
Er zijn te veel universiteiten; Universiteiten zijn
bureaucratische wangedrochten; De kwaliteit van het
universitaire onderzoek is middelmatig.
De oplossing van de critici is eenvoudig. Het merendeel
van de universiteiten zal worden gedegradeerd tot louter
onderwijsinstellingen. Het wetenschappelijk onderzoek
zal hun worden afgenomen. Dat onderzoek zal worden overgebracht
naar kleine onafhankelijke topinstituten bevolkt met
alleen maar toponderzoekers.
Toptalent moet nog wel worden opgeleid. Toptalent komt
alleen tot zijn recht als het wordt opgeleid op een
topopleiding, door topbegeleiders. Voor dit doel wordt
een tweetal universiteiten gepromoveerd tot de status
van topuniversiteit (Harvard aan de Amstel en Oxford
onder de Dom). Deze topuniversiteiten mogen hun onderzoeksactiviteiten
wel voortzetten.
'De kleine topinstituten dienen onder leiding te staan
van een sterke man' roepen de critici. De Duitse Max-Planck-instituten
staan model. Goed-georganiseerde instituten die veel
geld te besteden hebben. De directeur is de baas over
iedereen. Hij 'begeleidt' twintig tot dertig doctorandi
die een proefschrift voorbereiden. Hij is medeauteur
van alle artikelen afkomstig uit zijn instituut.
De directeur geeft alle belangrijke voordrachten over
het werk dat in zijn instituut is verricht. Ik ken geen
Nederlands onderzoeker die zo'n baas zou tolereren.
Als de almachtige directeur van een topinstituut wetenschappelijk
niet goed is, dan wordt er in zo'n instituut nog meer
talent en veel geld verspild.
We hebben in Nederland in het verleden veel slechte
ervaringen opgedaan met almachtige hoogleraar-directeuren
van universitaire instituten. Dankzij de democratisering
zijn wij daar gelukkig vanaf. Een groot gedeelte van
de emigratie van Nederlandse wetenschappers had met
deze feodale toestanden te maken.
Moet je toptalent eigenlijk wel concentreren? Ik denk
van niet. Toptalent is vaak eigengereid en eigenwijs.
Toptalent maakt ruzie met toptalent. Bernard Haitink
zou als directeur van het Institut für Musikforschung
als eerste Riccardo Chailly uit het instituut gooien.
Het AT&T Bell laboratorium in de Verenigde Staten
was tot voor kort het beste natuurkunde laboratorium
ter wereld. Was de sfeer er stimulerend? De onderzoekers
gunden elkaar het licht in de ogen niet. Laboratoriumruimten
gingen op slot uit angst voor concurrentie van de buurman.
Bij de discussie over de lage kwaliteit van onderwijs
en onderzoek in Nederland wordt de eeuwige truc toegepast
van het door elkaar halen van middelmatig en gemiddeld.
De kwaliteit van een maatschappij wordt in de eerste
plaats bepaald door het gemiddelde en niet door de top.
In de Verenigde Staten heb je het beste van alles.
Ze hebben de beste universiteiten ter wereld. Het gemiddelde
niveau is er echter abominabel. In de Verenigde Staten
vind je de beste ziekenhuizen ter wereld. Tegelijkertijd
is het kindersterftecijfer in de grote steden vergelijkbaar
met dat van ontwikkelingslanden.
Alle Nederlandse universiteiten hebben onderzoekers
in dienst die kunnen concurreren met de onderzoekers
van Duitse en Amerikaanse toplocaties. Het Nederlandse
gemiddelde ligt misschien lager dan dat gemiddelde van
die topinstituten, maar zeker niet lager dan het gemiddelde
van die landen.
De dienstverlening van de overheid is in westerse maatschappijen
optimaal als de burger kan kiezen uit onafhankelijke
gelijkwaardige manieren om zijn doel te bereiken. Wat
we nergens kunnen gebruiken zijn monopolistische, agenda-bepalende
instanties. Bestuurders daarentegen zullen altijd streven
naar een monopolie-positie van hun eigen organisatie.
Ik ben tevreden met de huidige situatie. Er zijn verschillende
mogelijkheden om hoger onderwijs te ontvangen. Er zijn
verschillende mogelijkheden om wetenschappelijk onderzoek
te doen: Op alle universiteiten en voor bepaalde onderzoeksgebieden
ook bij onafhankelijke instituten. Gelukkig zijn wij
in Nederland zo rijk. Het geheel houdt elkaar behoorlijk
in evenwicht.
Ons grote aantal universiteiten is een vorm van beschaving.
Het gemiddelde niveau van deze universiteiten is hoog.
Stichting van topuniversiteiten zal leiden tot een forse
daling van het gemiddelde, en tot verlies van beschaving.
terug naar index

Tijdreizigers
Velen van ons voelen regelmatig de behoefte om de dagelijkse
sleur te ontvluchten. Als reactie op deze aandrang gaan
we op reis, liefst naar een ver land. Maar zelfs een
voetreis in de Himalaya gaat na verloop van tijd vervelen.
Waarom reizen we niet, in plaats van naar een andere
streek, naar een andere tijd? Tijdelijk naar de toekomst
vertrekken om kennis te nemen van onze komende levensloop.
Of afreizen naar het verleden om te spreken met mensen
die al tijden overleden zijn.
Reizen in de tijd, dat kan toch helemaal niet? Nee,
deze leuke dingen voor de mensen zijn in strijd met
wetten van de natuurkunde. Natuurkundigen sluiten het
reizen in de tijd uit omdat het in tegenspraak is met
het principe van causaliteit: de relatie tussen oorzaak
en gevolg. Het gevolg komt na de oorzaak en nooit ervoor.
Bij tijdreizen wordt deze volgorde omgedraaid.
Eigenlijk leggen alle wetten van de natuurkunde vervelende
beperkingen op aan ons leven. De eerste hoofdwet van
de warmteleer laat niet toe dat onze auto's rijden zonder
brandstof. De tweede hoofdwet sluit uit dat wij energie
zouden kunnen opwekken door het huis van onze buurman
af te koelen.
Die natuurwetten zijn gebaseerd op duizenden jaren
waarneming. De kans is klein dat ooit zal blijken dat
ze niet deugen. Toch bevrijdt de mens zich graag van
deze dwangbuizen. Als deze ontstijging in werkelijkheid
niet mogelijk is, dan maar in fictie. De aan ons overgeleverde
mythen, sagen, en heilige boeken staan vol met schendingen
van natuurwetten. Het lopen op water bijvoorbeeld is
in strijd met de wet van Archimedes. Archimedes leefde
van 287 tot 212 vòòr Christus. Jezus had dus op de hoogte
kunnen zijn van die wet. Ook in moderne kunstuitingen
komen veelvuldig overtredingen van natuurwetten voor.
Als je wat langer nadenkt, realiseer je je dat er ook
prettige kanten zitten aan die strenge natuurwetten.
Die causaliteit is bijvoorbeeld zo gek nog niet. Als
iemand als tijdreiziger zijn eigen grootvader in diens
jonge jaren om zeep zou kunnen brengen, zou hij daarmede
zijn eigen geboorte kunnen verhinderen. Dit maakt duidelijk
dat er iets niet deugt aan tijdreizen.
Binnen de natuurkunde voelt men er dan ook niets voor
om de causaliteit over boord te zetten. In de meeste
boeken over natuurkunde wordt de aanwezigheid van causaliteit
niet eens behandeld: Men vindt het vanzelfsprekend.
Toch zijn er gebieden in de natuurkunde waar afwezigheid
van causaliteit en tijdreizen serieus worden bestudeerd.
Hoe is dat mogelijk? Zijn er dan toch natuurwetten
waarin oorzaak en gevolg omgewisseld mogen worden? Als
het antwoord op deze vraag ja luidt, is de beer los.
Bij nee is er is geen vuiltje aan de lucht. Het antwoord
van de geleerden is: Waarschijnlijk zijn alle wetten
causaal, maar 100% zeker weten, doen we niet.
Waarom is het zo moeilijk om de vraag naar causaliteit
voor alle natuurwetten met een duidelijk ja te beantwoorden?
Dat komt door het karakter van die wetten. Je kan die
wetten van de natuurkunde vergelijken met sommetjes
die velen van ons op de lagere school hebben moeten
maken: ingeklede vergelijkingen. Zoiets als: Wanneer
je de leeftijd van de vader van Piet deelt door het
huisnummer van de woning van Jan, en je deze uitkomst
vermenigvuldigt met het aantal broers van Piet, krijg
je het getal 27. Hoe oud is Piet? Deze ingeklede vergelijking
moet je dus oplossen, uitkleden als het ware.
De natuurkundige vergelijkingen zijn ingeklede vergelijkingen
van een heel ingewikkeld soort, en niemand die ze nog
exact kan uitkleden. De geleerden moeten eerst allerlei,
vaak oncontroleerbare, vereenvoudigingen toepassen op
deze wetten voordat ze er mee kunnen werken. De uitkomst
over het wel of niet aanwezig zijn van causaliteit zou
wel eens ernstig kunnen worden beïnvloed door het toepassen
van die grove vereenvoudigingen. Dit is de kern van
het probleem. Voor een aantal wetten kan toch onomstotelijk
aangetoond worden dat zij tijdreizen uitsluiten.
Maar voor de algemene relativiteitstheorie is het geen
uitgemaakte kwestie. Onder geleerden woedt een discussie
of tijdreizen onder bepaalde omstandigheden is toegestaan
binnen deze theorie. Die omstandigheden zijn wel heel
extreem en hebben betrekking op zeer zware, roterende
objecten. Maar principe is principe.
Als inderdaad aangetoond kan worden dat de theorie
het tijdreizen toestaat, zullen veel knappe koppen in
een wanhoopsoffensief alsnog proberen de gehele theorie
onderuit te halen. Als dat niet lukt, wordt de fantasie
van H.G. Wells alsnog werkelijkheid en zullen een aantal
ingenieurs binnenkort de opdracht krijgen om een tijdmachine
te bouwen.
terug naar index

De
kat is dood
Vandaag zal ik een lastig probleem uit de natuurkunde
oplossen. Mijn collega's zijn nog niet op de hoogte
van deze doorbraak, want ik heb mijn bevindingen nog
niet gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift.
Dit betekent dat u deze column voorlopig als een vertrouwelijke
mededeling dient te behandelen.
De bedoelde kwestie wordt aangeduid als de kat van
Schrödinger . Bij deze controverse dient de volgende
vraag te worden beantwoord: Is de kat van Schrödinger
dood of levend?
De paradox heeft te maken met de meest succesvolle
en meest controversiële theorie die de natuurkunde heeft
voortgebracht: de quantummechanica, ontdekt in de jaren
twintig. Erwin Schrödinger was één van de pioniers en
hij bedacht het gedachtenexperiment met de kat.
Het verschil tussen de oude theorie en de quantumtheorie
is dat voor heel lichte deeltjes, zoals atomen, moleculen
en lichtdeeltjes (fotonen), andere bewegingswetten gelden
dan voor voorwerpen met huis-tuin-en-keuken afmetingen,
zoals biljartballen. De theorie is succesvol, maar creëert
ook vragen van fundamentele aard.
Wat is het probleem met de quantumtheorie? We bekijken
zo'n klein deeltje. Dit deeltje bevindt zich op een
startplaats met twee uitvalswegen: de A1 en de N1. Elke
weg heeft zijn eigen eindpunt: Café A en Café N. Ergens
tussen start- en eindpunt kruisen de A1 en de N1 elkaar.
Bij deze gelijkvloerse kruising moet het deeltje kiezen
hoe het zijn weg vervolgt. Het deeltje heeft geen voorkeur.
Ons deeltje heeft veel broers, allemaal gelijksoortige
deeltjes, die wij één voor één bij het startpunt laten
vertrekken. We registreren hoeveel van die deeltjes
er in café A en hoeveel er in N arriveren. De weg vanaf
startpunt tot de kruising kan via de A1 of via de N1
afgelegd worden. De uitkomst van ons experiment blijkt
sterk af te hangen van het verschil in afstand tussen
beide mogelijkheden. We kunnen het verschil in afstand
bijvoorbeeld zo construeren dat alle deeltjes in café
A aankomen. Dat is het vreemde van de quantummechanica,
want je zou verwachten dat de deeltjes of de ene of
de andere weg nemen, maar het is net of de deeltjes
beide wegen naar het kruispunt kennen.
We willen nu wel eens weten van elk van de deeltjes
hoe ze gestart zijn: op de A1 of op de N1. Daartoe zetten
we voor de kruising op beide wegen een verklikker, die
opflitst als een deeltje voorbij komt.
We herhalen het experiment. Weer sturen we de deeltjes
één voor één op pad. Met behulp van de verklikkers kunnen
we van elk deeltje exact de gevolgde route reconstrueren.
Wat blijkt? Er arriveren, ongeacht het verschil in afstand
tot het kruispunt, evenveel deeltjes in café A als in
café N. Met het plaatsen en aflezen van onze verklikkers
hebben we de deeltjes gedwongen kenbaar te maken welke
weg ze gekozen hebben, en hebben we het experiment dramatisch
beïnvloed.
Deze ervaring hebben we nodig bij de kat van Schrödinger.
Alles speelt zich af in een grote geluid- en lichtdichte
doos. Wij kunnen niet waarnemen wat er in die doos gebeurt.
In de doos bevindt zich naast een kat ook een zwakke
lichtbron die eens in de zoveel tijd een lichtdeeltje
uitzendt. Als dit deeltje op weg gaat, komt het bij
een halfdoorlatende spiegel - dat is een gewone spiegel
met een ongewoon dunne zilverlaag. Er zijn voor dit
deeltje twee mogelijkheden: door de spiegel heen gaan
of teruggekaatst worden. Achter de spiegel bevindt zich
een verklikker die afgaat als het deeltje door de spiegel
komt. Deze verklikker activeert op zijn beurt een geweer
dat op de kat is gericht. Als het geweer afgaat, wordt
de kat gedood. Als het deeltje teruggekaatst wordt van
de spiegel gebeurt er niets.
We zetten de bron aan en sluiten de doos. Na verloop
van tijd zal een deeltje op pad gaan en vervolgens bij
zijn eindbestemming aankomen. Het leven van de kat hangt
af van welk pad het deeltje gevolgd heeft. Volgens die
vreemde quantummechanica is de kat noch dood noch levend
zolang wij geen waarneming hebben gedaan. Pas als wij
de doos openmaken, dwingen wij het systeem kenbaar te
maken welke weg het lichtdeeltje genomen heeft, en dan
pas is de kat dood of is de kat levend.
Nu mijn oplossing. De voorbeelden die de vreemdheid
van de quantummechanica demonstreren, hebben altijd
betrekking op extreem simpele deeltjes. Deze deeltjes
hebben blijkbaar nooit last van hun omgeving. De enige
temperatuur waarbij je de invloed van de omgeving mag
verwaarlozen, is het absolute nulpunt. Dat is 273 graden
celsius onder nul. Bij elke andere temperatuur moet
je de wisselwerking met de rest van de wereld in rekening
brengen. Om het formalisme van de quantummechanica te
mogen toepassen op de toestand van de kat moet de kat
afgekoeld worden tot 273 graden onder nul. Bij die temperatuur
is de kat morsdood.
terug naar index

Managerziekte
Aan de top van de wetenschappelijke hiërarchie bevindt
zich de hoogleraar. In het ideale geval betreft het
een actieve, ervaren onderzoeker die zijn kennis overdraagt
aan junior-onderzoekers en aan studenten. De maatschappelijke
status van een hoogleraar is hoog.
Hoe word je hoogleraar? Hiervoor is de doctorstitel
onontbeerlijk. Dat houdt in dat je na je afstuderen
verplicht bent om een aantal jaar onder het minimumloon
te werken. Binnen vier jaar moet je je proefschrift
hebben geschreven.
Vervolgens ga je een paar jaar bij een bekende buitenlandse
wetenschappelijke instelling werken. Je komt terug als
je ergens in Nederland een baan als onderzoeker kan
krijgen. Je gaat je steeds meer manifesteren in het
wetenschappelijk wereldje en voortdurend schrijf je
je onderzoekresultaten op in wetenschappelijke artikelen.
Na een aantal jaren heb je veertig, vijftig publikaties,
en is de tijd rijp.
Je solliciteert naar de functie van hoogleraar. Bij
je sollicitatiebrief voeg je stukken waaruit blijkt
dat je een uitstekend en produktief onderzoeker bent.
Je kwaliteiten als onderzoeker worden zwaar gewogen
door de benoemingscommissie. Wat er ook in de advertenties
staat over onderwijservaring, over leidinggevende kwaliteiten
en over geslacht, de enige kwaliteit die telt bij de
sollicitatie voor de functie van hoogleraar is de kwaliteit
als onderzoeker.
Uit de sollicitanten wordt de beste onderzoeker gekozen.
Op de universitaire faculteit is men tevreden. De faculteit
is een toponderzoeker rijker. De gelukkige, angry young
man is vol energie. Hij mag eindelijk zelf richting
gaan geven aan het onderzoek. Hij hoeft niet meer te
doen wat anderen hem vertellen.
Maar dan verandert zijn droom in een nachtmerrie. De
hele omgeving van de kersverse hoogleraar spant tegen
hem samen om te verhinderen dat hij gaat doen waarvoor
hij is aangenomen: het verrichten van wetenschappelijk
onderzoek.
Hij moet talloze aanvragen schrijven om financiële
ondersteuning te verwerven voor zijn onderzoekplannen.
De totale hoeveelheid geld voor wetenschappelijk onderzoek
neemt eerder af dan toe. Maar het totale aantal fondsen
dat dient om deze som gelds te verdelen, breidt zich
sterk uit. De toenemende papierwinkel rondom deze geldpotten
begint lachwekkende vormen aan te nemen. Om al deze
'geldstromen' goed te leren kennen en een beetje te
kunnen aftappen, moet de nieuwe hoogleraar, tegen zijn
zin, bestuurlijke functies buiten de universiteit aanvaarden.
Ook in zijn eigen faculteit rekenen vele commissies
en raden op zijn inbreng. Bovendien heeft elke universitaire
faculteit nog wel een of andere tijdverslindende nutteloze
hobby waarbij de inbreng van toponderzoekers onmisbaar
wordt geacht. Mijn eigen faculteit natuurkunde bijv.
is bezig om samen te gaan met de faculteit wiskunde.
De explosieve groei van bestuurlijke taken kan in de
bètafaculteiten niet in verband worden gebracht met
de massale toenamen van studenten. De bètafaculteiten
hebben te maken met lege collegezalen en overcapaciteit.
Elke nieuwe hoogleraar wordt het bestuurlijke circuit
ingezogen. Hij gaat een andere taal spreken, het managersjargon.
In plaats van wetenschappelijke formules op het bord
te kalken, komt hij aanzetten met organigrammen. In
plaats van een wetenschappelijke grafieken met dubbel
logaritmische schaal te presenteren, komt hij op de
proppen met taartdiagrammen.
Hij gaat functioneringsgesprekken voeren. Hij volgt
trainingsweekends. Hij gaat bedrijven bezoeken, want
als zijn sociale netwerk niet deugt, krijgen zijn afgestudeerden
geen baan. De junior-onderzoekers die onder zijn begeleiding
een proefschrift voorbereiden, hebben weinig contact
meer het hun hoogleraar.
De rol van de hoogleraar in het wetenschappelijk onderzoek
is marginaal, want hij is totaal in beslag genomen door
andere activiteiten. Een hoogleraar die zelf wetenschappelijk
onderzoek probeert te doen is een uitzondering. Een
verdachte zonderling, die voortdurend in conflict komt
met zijn omgeving. Hij wil wel de lusten maar niet de
lasten van het hoogleraarschap. Als hij zo hoognodig
toch onderzoek wil doen, moet hij daar maar zijn vrije
zaterdag of zondag voor gebruiken. Een hoogleraar moet
geen specialist willen zijn, maar, om het bespottelijke
jargon van beleidsmakers te gebruiken, hij moet een
generalist zijn.
De universiteit van Leiden wil een elite-universiteit
worden. Het enige wat ze daarvoor hoeven te doen, is
hun hoogleraren te bieden waar elke onderzoeker in hart
en nieren naar snakt: tijd om onderzoek te doen. De
beste onderzoekers uit binnen- en buitenland zullen
in de rij staan om er te mogen werken.
terug naar index

Hollywood
De mens is belust op sensatie. Kijklustige omstanders
hinderen de brandweer bij het blussen van een brand.
Nieuwsgierige chauffeurs veroorzaken grote files bij
auto-ongelukken. Rampentoeristen rijden dijken kapot
in overstroomde gebieden. Rampen, gepaard gaand met
veel geweld en grote ravages, we raken er nooit op uitgekeken.
De wetenschap speelt zeer slim in op deze sensatiezucht.
De onderzoeker die aandacht wil tussen al het andere
geweld in de media kent de truc: Stop een ramp in je
verklaring, of nog beter: Stop een ramp in je voorspelling.
Dit recept is beproefd en populair.
Laten we beginnen bij het begin: het ontstaan van het
heelal. Volgens de thans geldende doctrine, gebaseerd
op slechts twee soorten waarnemingen, zou alles met
een explosie begonnen zijn: de oerknal. Stephen Spielberg
had dit Hollywood-scenario kunnen bedenken. In de sterrenkunde
houden ze van vuurwerk. Hun laatste uitvinding is de
grootste vuurpijl aller tijden: de supernova-explosie.
Die oerknaltheorie vind ik hoogst verdacht. In kringen
rond het Vaticaan wordt deze wetenschappelijke hypothese
gezien als een geschenk uit de hemel. Als ik moet kiezen
uit de verschillende scheppingsverhalen, gaat mijn voorkeur
uit naar de theorie die zegt dat alles er altijd al
geweest is.
Geen knallend vuurwerk dat het begin van de tijd aankondigt,
maar een rustig voortkabbelende tijd, met eeuwig en
altijd dezelfde snelheid: een seconde per seconde. Ik
kan mij al verkneukelen bij de gedachte dat theologen
zich in allerlei bochten zouden moeten wringen om een
eeuwig bestaand heelal te moeten rijmen met het vuurwerk
van Genesis.
Ook het voorspellen van het einde van de wereld
kan op veel aandacht rekenen. Zeker als het met een
oorverdovende knal gepaard zal gaan. Een stel maffe
Amerikaanse natuurkundigen, gespecialiseerd in de bouw
van kernwapens en bedreigd met werkeloosheid, hebben
de mensheid gewezen op het gevaar van een inslag van
een gigantische meteoriet. Deze onderzoekers stellen
voor om krachtige kernwapens te ontwikkelen waarmede
een op ramkoers liggende meteoriet uit zijn baan zou
kunnen worden geslagen.
In tegenstelling tot rampen kan je van natuurlijke
processen die tergend langzaam verlopen geen spannende
film maken. Ook de kerk heeft moeite met deze trage
veranderingen, want Gods hand kan hier maar moeilijk
in geduid worden. De evolutie-theorie van Darwin is
een voorbeeld van een theorie waarin de processen ouderwets
langzaam verlopen. Deze theorie is voor de kerk altijd
al een gruwel geweest, maar past nu ook niet meer in
deze snelle tijd.
Elke gelegenheid die zich voordoet om een ramp in de
evolutie-theorie te kunnen introduceren, zal door wetenschap
en kerk gezamenlijk worden aangegrepen. De eerste resultaten
zijn er al: Voor het verklaren van het uitsterven van
de dinosaurussen zou Darwin te kort komen en als een
deus-ex-machina wordt de inslag van een meteoriet opgevoerd.
Waarom die meteoriet precies op dat tijdstip verscheen?
Waarschijnlijk omdat God toen genoeg had van die dinosaurussen.
Ook de mensen die voor hun dagelijks brood afhankelijk
zijn van de maatschappelijke belangstelling voor milieuverontreiniging
kennen het Hollywood-scenario. In dit gebied wordt het
naderende einde aangeduid met termen als 'broeikaseffect'
en 'ozongat'. Het betreft een groot komplot van wetenschappers,
politici en milieuactivisten. Van harte gesteund door
het bedrijfsleven. De aandacht van binnenlandse en buitenlandse
milieuproblemen afleiden door te wijzen op de problemen
in het bovenland. Intussen gewoon doorgaan met de lokale
vervuiling. Het past ook zo mooi in onze christelijke
moraal van collectieve schuld. Prachtig en het kost
niets.
Wetenschappers begrijpen zo weinig van de processen
die zich in de atmosfeer afspelen dat ze het weer van
de volgende dag niet kunnen voorspellen. En bij het
broeikaseffect hebben die wetenschappers het lef om
voorspellingen te doen over wat zich over tientallen
jaren zal voordoen. Voorspellingen op basis van onbetrouwbare
overgesimplificeerde computermodellen. In deze modellen
worden talrijke onbegrepen fysische processen verwaarloosd.
De atmosfeer is een zeer complex systeem. Hoe beter
men het bestudeerd hoe ingewikkelder het blijkt te worden.
Volgens een recent artikel in Nature zijn het
broeikaseffect en het gat in de ozonlaag zelfs aan elkaar
gekoppeld. We zouden vanaf nu moeten spreken van het
'ozonbroeikaseffect'.
Het ozonbroeikaseffect wordt een religie. De recente
overstromingen zouden er door zijn veroorzaakt. In de
Scientific American van afgelopen april wordt
in alle ernst beweerd dat een wereldwijde terugloop
van de populatie van kikkers te wijten is aan het ozongat.
In mijn dorp kan ik 'snachts niet slapen van het gekwaak
van een koor van kikkers. Zou hier sprake zijn een te
hoge concentratie aan ozon?
terug naar index

Het net
Er heerst in de media een hysterische belangstelling
voor de uitwisseling van gegevens via computernetwerken.
Het sleutelwoord luidt Internet. Wie niet weet wat Internet
is, voelt zich achterlijk. Je vraagt je al snel af welke
commerciële instelling dit succesvolle Internet heeft
voortgebracht? Dat is nu juist zo bijzonder aan Internet.
Het is een produkt dat niet door economische krachten
tot stand is gekomen. Bij de start, zo'n twaalf jaar
geleden, was geen bedrijf erin geïnteresseerd.
Terwijl grote industrieën als Philips, Digital en Control
Data Corporation de ene na de andere flater begingen
in de informatica-wereld, ontwikkelden een stelletje
wereldvreemde wetenschappers geheel belangeloos Internet.
Niet gedreven door de zucht naar rijkdom, maar door
de behoefte aan contact met hun collega-wetenschappers.
Het resultaat mag er zijn. Alle wetenschappers over
de gehele wereld kunnen elkaar nu snel en gemakkelijk
teksten toesturen. Deze berichten komen binnen enkele
minuten aan op de plaats van bestemming. De wereld buiten
de wetenschap begint nu in de gaten te krijgen dat dit
net leuk speelgoed is.
Met als gevolg dat de Markt haar zinnen heeft gezet
op het netverkeer. Wereldwijd klagen industriëlen en
topbankiers over de onwil van de mensen om te betalen
voor het gebruik van computernetten. In Nederland is
het bankwezen altijd sterk geweest in vorming van kartels.
Hun laatste succes is het monopolie Beanet. Het computernet
dat het betalen door middel van een pasje met pincode
mogelijk en duur maakt. Internet zal spoedig in handen
van de commercie vallen. Voor elke informatie die via
het net verkregen wordt, zal dan flink betaald moeten
worden.
Waarom is iedereen opeens in Internet geïnteresseerd?
Voor wetenschappers is het een prachtig middel om te
communiceren. Voor een aantal bedrijven is het ook nuttig.
Voor wetenschappelijke uitgeversmaatschappijen, zoals
Elsevier, staat het hele bestaan op het spel. Maar voor
huis- tuin- en keukengebruik is het snel kunnen versturen
van teksten naar Sydney of Peking nutteloos, en volgens
mij niet eens spannend.
De grote plotselinge aandacht wordt veroorzaakt door
een uitbreiding die Internet ondergaan heeft. Het net
is het laatste jaar veel aantrekkelijker en opwindender
geworden, want het is nu ook mogelijk om plaatjes te
versturen. Zelfs bewegende beelden.
Wat de consument nu al in overvloed via tientallen
televisiekanalen kan ontvangen, kan hij nu ook via de
computer binnenhalen: gewelddadige series, stompzinnige
quizzen en porno. Met nog minder kwaliteitscontrole.
Dus met nog veel meer geweld en met hardere porno. Kettingbrieven
tieren nu al welig op het net. De eerste gokcircuits
zijn al opgericht. Kwaadaardige virussen zijn gesignaleerd.
En ook de neo-nazi's zijn gearriveerd. Kortom: Internet
met plaatjes voorziet in een grote behoefte.
In tegenstelling tot het binnenhalen van teksten verloopt
het verzenden en bekijken van beelden stuitend traag.
Het hele netwerk raakt er door verstopt. Degenen die
denken dat het binnenkort door technische verbeteringen
veel sneller zal gaan, snappen niks van de psychologie
van de mens. Zonder sociale controle is de mens een
veelvraat en een viespeuk. De kleine kring van wetenschappelijke
gebruikers hielden elkaar nauwgezet in het oog op het
net. Die tijd is voorbij en binnenkort zal de commercie
haar intrede doen om een einde te maken aan de anarchie.
U denkt dat ik overdrijf als ik beweer dat Internet
met plaatjes alleen pulp produceert. Bij de aanschaf
van een snelle personal computer met een snel modem
en een duur kleurenscherm droomt u over al die mooie
informatiebronnen die u kan raadplegen. Even Amerika
bellen en een encyclopedie naslaan. Dat is nou jammer.
In heel de Verenigde Staten bestaat geen enkele goede
encyclopedie. De enige nuttige informatie op Internet
is bijeengeraapt door goedwillende amateurs. Die informatie
is incompleet en onbetrouwbaar.
Natuurlijk, de computernetten die op Internet zijn
aangesloten barsten van de gegevens, maar leveren weinig
informatie. Een verzameling van gegevens is iets anders
dan informatie. Informatie betekent filteren en combineren
van gegevens. En dat filteren en combineren kan de computer
niet. Wat voor onzin informatici daarover ook uitkramen.
U wilt goedkope informatie? Koop voor een paar gulden
kilo's oude kranten. Daar kan geen informatie van Internet
tegen op. Die informatie is veel betrouwbaarder. En
veel makkelijker terug te vinden dan op het net. U wilt
goede betrouwbare informatie en bent bereid om er wat
voor te betalen? Koop toch gewoon de Winkler Prins encyclopedie.
Een beetje oubollig maar wel een superieure vorm van
informatieverschaffing.
terug naar index

Vijfde
Colonne
Wie droomt er niet van om ingehaald te worden als bevrijder?
Maar daarvoor moet je wel eerst tegen een meedogenloze
bezetter strijden. En daar is moed voor nodig. Wie durft
er nu, vijftig jaar na 1945, nog tegen een onderdrukker
in opstand te komen? Een aantal verzetstrijders, onder
leiding van Roel in 't Veld, hooggeleerde organisatiedeskundige,
durft het. Roel en zijn kornuiten gaan de universiteit
bevrijden. Ai! U wist nog niet dat de universiteit bezet
was? Het is ook altijd hetzelfde liedje met de zwijgende
meerderheid: Achteraf zeggen dat u het niet geweten
heeft.
De strijd tegen de bezetter wordt gevoerd met moderne
wapens: In Rotterdam wordt een chique en exclusief symposium
georganiseerd onder de titel: Naar een bevrijde universiteit.
In de glanzende prospectus, die ik op vier mei ontving,
lees ik dat het drukkende, conservatieve klimaat dat
heerst op de universiteiten moet worden weggevaagd.
De universiteit moet worden bevrijd van de dictatuur
van de middelmaat. Razende Roel vindt zelfs dat er een
einde moet komen aan het wettelijke kartel dat de overheid
heeft op universitair onderwijs.
De decaan van de Rabo-academie is een dappere medestrijder.
In de bankwereld is bevrijding een ander woord voor
vijandige overname. Het was te verwachten dat een onderneming
als de Rabobank een universiteit wil overnemen. Ze moeten
hun onderwijspoot versterken. Sinds de Rabo eigenaar
is van alle wetenschappelijke kennis van het Philips
concern is hun onderzoekspoot sterk genoeg.
Hoe stellen de bestuurskundigen zich voor dat de bevrijding
zal verlopen? De heren bevinden zich op grote hoogte.
Vanuit die afstandelijke positie zien ze alleen nog
maar contouren. We moeten dus niet al te concrete voorstellen
verwachten. Maar toch liegen de plannen er niet om.
De bevrijders vinden dat er bedrijfsmatiger moet worden
gewerkt. Zij zijn van mening dat er een professionalisering
van het universitaire bestuur moet komen. Er moet een
omslag in het denken komen. Er moet sponsoring komen
door het bedrijfsleven. De universiteit dient een commerciële
onderneming te worden. Dat laatste heb ik eerder gehoord.
Acht jaar geleden schreef een Rotterdamse herenclubje
(bestaande uit o.a. Ritzen, Hirsch-Ballin en Rinnooy-Kan)
al een pamflet onder de titel 'naar een ondernemende
universiteit'. Ik schiet nog regelmatig in de lach als
ik aan een van de belangrijkste zinnen uit dat rapport
denk. Die zin luidt: 'Geen enkele universiteit kan alles
betekenen voor iedereen'.
Om uit te vinden of het symposium eventueel voor mij
interessant zou kunnen zijn, heb ik mij wat verdiept
in de bestuurskunde. Ik heb een handboek voor 'Management
van het Hoger Onderwijs' bestudeerd. Wat blijkt? De
bestuurskundigen hebben net als de natuurwetenschappen
modellen; ja, ze hebben zelfs net als de natuurkunde
een standaardmodel. Het standaardmodel uit de bestuurskunde
heet DOR. Ik had geen betere afkorting kunnen bedenken.
DOR staat voor Doelen formuleren, Organiseren en Realiseren.
De uitwerking van het DOR-model bespaar ik u.
Bestuurskunde is een wetenschap. Op de Erasmus Universiteit
kan je al na drie jaar onderzoek promoveren tot doctor
in de bestuurskunde. Ik zal u enkele van de studieonderwerpen
niet onthouden: 'Evaluatie van het gecoördineerd, gedistribueerde
probleemoplosparadigma als testbed voor theorieën van
organisationeel probleem oplossen.' Bent u daarin niet
geïnteresseerd? Wat denkt u van deze: 'Evalueren van
organisaties in termen van neurale netwerken, gebaseerd
op de theorie van de organisatie-fractal.' In dit laatste
geval worden twee moderne ontwikkelingen uit de wis-
en natuurkunde door elkaar gehaald. Het klinkt modieus,
dat wel.
Hoe zit het met de praktische toepassing van de wetenschap
bestuurskunde. Ik heb een offerte bekeken van het SIOO
(Stichting Interacademiale Opleidingen Organisatiekunde)
voor het doorlichten van een paar universitaire faculteiten..
In 't Veld is rector van deze onderneming. Het wollige
flutstuk wemelt van de taalfouten. Correct gebruik van
de Nederlandse taal kan je niet verwachten van medewerkers
die zich marktconform opstellen en die wel als 'schakel'
willen functioneren voor fl. 1250,-- per ochtend of
middag. Uiteraard vrij van BTW want het SIOO is geen
echte onderneming.
Wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijk onderwijs
kan je niet overlaten aan bestuurskundigen. Onderzoek
dient te worden bestuurd door onderzoekers en onderwijs
door onderwijzers. Mensen die door ervaring, kennis
en capaciteit op een natuurlijke manier zijn komen boven
drijven in de eigen of vergelijkbare organisatie.
Bestuurskundigen op een universiteit. Dat zijn geen
bevrijders. Ze vormen de vijfde colonne, verkapte aanhangers
van de vijandelijke macht. De universiteit moet inderdaad
bevrijd worden: van bestuurskundigen.
terug naar index

Kippegaas
Ik zie liever een Japanner werkeloos dan een Nederlander.
Daarom kies ik bij de aan schaf van een elektrisch apparaat
bij voorkeur Philips. Dit politiek correcte gedrag is
niet altijd gemakkelijk vol te houden.
Een tijdje geleden werd in Amsterdam weer eens de radio
uit mijn auto gestolen. Ik ben verslaafd aan radio en
ik moest meteen een nieuwe hebben. Een radioluisteraar
heeft het moeilijk. Het medium is vergeven van reclame
en sport. Om dit te vermijden ben ik tijdens het autorijden
voortdurend aan het schakelen van zender naar zender.
Ik eindig altijd op de Lange Golf. Ik smul van de nationale
BBC, niet te verwarren met hun Worldservice. Laatst
hoorde ik er de minister van justitie zeggen dat geen
Brit in zijn stad het niveau van misdaad zou accepteren
dat in Amsterdam heerst.
'Ik wil een Philips autoradio met daarop Lange Golf
en veel voorkeuzetoetsen' deelde ik de verkoper op besliste
toon mede. Ik kocht de Philips DC 342.
Dat had ik niet moeten doen. De talloze, op elkaar
lijkende, bedieningsknopjes van dit technologische hoogstandje
hadden opschriften die onleesbaar waren. 's Avonds was
het nog erger. De schaars verlichte knopjes waren in
niets meer van elkaar te onderscheiden.
De Lange Golf was niet te vinden. Waar ik ook op drukte,
elke keer kreeg ik een regionale omroep. Opeens had
ik het door: Voor de Lange Golf moest ik vijf
keer op de tweede knop van links van de bovenste rij
drukken. Groot was daarna mijn teleurstelling. Een vreselijk
geknetter vulde de auto: De Lange Golf bleek niet ontstoord
te zijn.
Tijdens kantoortijd heb ik de klantenservice gebeld.
Uiteraard was dit Philips 06-nummer niet gratis, want
klachten moet je niet aanmoedigen. Een vrouwelijke computerstem
neemt voor Philips de telefoon aan en wil weten of ik
een modern telefoontoestel heb.
'Wilt u op de nul drukken.' Ik gehoorzaam braaf.
'Ah, u heeft een modern toestel. Als u informatie wil
over Philips hifi-produkten wordt u verzocht de nul
in te drukken. Als u informatie wil over Philips huishoudelijke
produkten ...'
Als de metalen dame bij de zeven is, hoor ik:
'Als u een klacht ..'. Voordat ik de band verder afwacht,
druk ik geïrriteerd op de zeven.
'Ah, u heeft een klacht. Als u een klacht heeft over
Philips hi-fi moet u op de nul drukken. Als u een klacht
heeft over Philips huishoudelijke apparatuur .... '.
Als ze bij klachten over car-audio is druk ik
woedend op de vijf.
'Ah, u heeft een klacht over car-audio produkten.
U wordt doorverbonden met de verantwoordelijke persoon.'
Na een minuut wachten, meldt de stem mij dat de desbetreffende
persoon in gesprek is. Na nog enkele minuten, deelt
de koude stem mij mede dat die persoon niet meer bereikbaar
is. Alles verloopt nog steeds volautomatisch traag.
Ik hoor nog:
'Na de pieptoon kunt u uw klacht inspreken.' Ik gooi
woedend de hoorn op de haak.
Ik stuur een fax naar Eindhoven. Binnen een week word
ik teruggebeld. Mijn probleem was op te lossen: 'U moet
onder de motorkap op bepaalde plaatsen stukken kippegaas
aanbrengen'. Als dat niet zou werken, moest ik mij maar
beperken tot het luisteren naar de radio met uitgeschakelde
motor.
Een brief gestuurd naar Timmer, de baas van de uitvinders.
Het telefonische antwoord kwam; niet van Timmer, maar
wel was ik hoger in de hiërarchie gekomen. Een Philips
Relations officer legt mij uit:
'Het is niet de schuld van Philips. Philips kan niet
elke combinatie uittesten van auto en radio. U moet
naar uw autodealer gaan'.
'Maar mijnheer, ik rijd Opel Corsa. De meest populaire
en burgerlijke auto van Nederland. Philips verkoopt
een autoradio die het niet doet in een Opel!'
'Weet u mijnheer Lagendijk, de meeste consumenten zijn
niet geïnteresseerd in de Lange Golf.'
'Waarom zet u hem er dan op', bitste ik terug.
'O.k., mijnheer Lagendijk, wij zijn bereid om u het
bedrag van de radio te vergoeden'.
Ik: 'Daar gaat het niet om. Ik wil dat jullie er wat
aan doen. Jullie moeten de Japanners verslaan'.
PR officer: 'Mijnheer Lagendijk, u heeft gelijk, maar
de Philips ingenieurs willen er niets aan doen. Als
u mij een type autoradio van een ander merk opgeeft
waar de Lange Golf wel van ontstoord is, dan gaan we
er werk van maken.'
Zoals u ziet doet het elektronica-concern nog regelmatig
de naam van zijn geboortestad eer aan: Eindhoven
betekent ten slotte de laatste boerderij,
daarna houdt de wereld op.
terug naar index

Aziatische
tijgers
Ajaxtrainer Louis van Gaal heeft maar een doel voor
ogen: met zijn elftal jaar in jaar uit aan de top blijven.
Om dit te realiseren, struint Ajax de hele aardbol af
naar jong voetbaltalent. Een bal is in Ghana namelijk
even rond als in Amsterdam. Niet alleen in de sport,
maar ook in de muziek en in de wetenschap geldt dat
het niveau van de beoefening in een land omhoog gaat
als men buitenlandse professionals een kans geeft.
Het importeren van talent mag dan normaal zijn voor
het betaalde voetbal, in de vaderlandse wetenschap komt
het niet voor. In het nationale wetenschappelijke wereldje
val je flauw van de spruitjeslucht. Autochtone Groningers,
Amsterdammers en Brabanders maken er de dienst uit.
Ter verdediging van ons land kan aangevoerd worden dat
de omringende landen het zeker niet beter doen.
Jonge Indiërs en Chinezen weten dat ze in het rijke
Westen kunnen komen door bij hun studie op middelbare
school en universiteit uit te blinken in de exacte vakken.
India en China hebben samen ruwweg 150 keer zoveel inwoners
als Nederland. Dat betekent dat ze ook 150 keer zoveel
slimmeriken hebben als wij. Vele van deze bollebozen
verlaten hun vaderland. En waar gaan deze getalenteerde
economische vluchtelingen naar toe? Komen die naar Nederland?
Welnee, in ons christelijke landje is slechts plaats
voor verdrukten uit den vreemde. Het is jammer dat Nederland
niet profiteert van deze internationale 'breinvlucht'.
De Aziatische studiehoofden gaan naar de Verenigde
Staten. Nog steeds. Waar ze welkom zijn. Nog steeds.
En ze stijgen tot grote hoogten. Ik zal een paar namen
noemen van Amerikaanse Nobelprijswinnaars voor natuurkunde:
Subrahmanyan Chandrasekhar, Tsung-Dao Lee, Samuel Ting,
en Chen Ning Yang. Tsung-Dao Lee moet u niet verwarren
met Yuan Tseh Lee, de laatste kreeg als Amerikaanse
Chinees de Nobelprijs voor de scheikunde.
Hollandse dominees vinden dat de getalenteerden in
hun eigen derde-wereldland zouden moeten blijven. Dat
ze hun land zouden moeten helpen opbouwen. De briljante
studiekoppen blijken echter niet gevoelig voor dit soort
moralistisch argumenten. Ze gaan toch. Hun vertrek lijkt
een gevoelig verlies voor hun vaderland.
Is het eigenlijk wel zo erg dat zij hun land verlaten?
Als ze in hun vaderland waren gebleven, zouden ze zich
er misschien wel maatschappelijk verdienstelijk hebben
gemaakt, maar hun unieke talent hadden ze er nooit kunnen
ontwikkelen. Talent dat niet wordt ontwikkeld, is zonde.
Als Yang in China was gebleven, hadden we in de natuurkunde
geen Yang-Mills theorieën gehad. Hadden we geen quarks
gekend. Hadden we geen Higgs deeltje gekend. Als Chandrasekhar
in India was gebleven, was de gehele wereld voor altijd
verstoken geweest van de schoonheid van zwarte gaten,
supernova-explosies en witte dwergen.
Immigranten die als wetenschapper carrière hebben gemaakt
in hun nieuwe vaderland onderhouden doorgaans goede
betrekkingen met hun oude vaderland. Deze contacten
zijn nuttiger dan die welke via de officiële politiek
tot stand komen. Ze zijn gebaseerd op respect en niet
op vriendjespolitiek.
De Aziaten zijn welkom in de VS omdat de eigen Amerikaanse
jeugd nooit veel trek heeft gehad in het studeren van
exacte vakken. Management wordt er belangrijker gevonden.
Een bekende uitspraak is: 'Why do science, if you can
be his boss'. In de VS is het merendeel van de jonge
onderzoekers in de exacte vakken al van Aziatische afkomst.
Ook in Nederland wordt leidinggeven tegenwoordig hoger
aangeslagen dan vakmanschap. Dit is er mede oorzaak
van dat de jeugd ook hier steeds minder zin heeft om
een technische opleiding te volgen. Over die laatste
ontwikkeling ventileren de werkgevers regelmatig hun
bezorgdheid. Om te trachten toch nog jongeren te interesseren
voor beta-studies, worden er door gerespecteerde wetenschappers
allerlei vormen van brede-bèta opleidingen bedacht.
Als te weinig jonge Nederlanders techniek willen studeren,
dan kunnen we toch proberen om het Chinese, Indische,
Vietnamese, en Indonesische talent over te halen om
in ons land onderwijs te volgen. In een klap zou de
instroom in de exacte vakken aan de universiteiten weer
op peil zijn. Na hun studie blijven de Aziaten gewoon
hier.
De Nederlandse werkgevers zouden moeten inzien hoeveel
voordelen mijn plan heeft. Hun weg, proberen allerlei
alfa- en gamma-studies te declasseren, is tot mislukken
gedoemd. Helaas merken we juist in deze tijd hoe weinig
de autochtone Nederlandse werkgevers geneigd zijn te
profiteren van de kwaliteiten van allochtonen. Ook die
enkele jonge Chinezen en Vietnamezen die nu al in Nederland
zijn en hier promoveren tot doctor in de natuurkunde
wordt nooit een baan aangeboden. Dom, dom, oliedom.
De Amerikaanse bedrijven als IBM en Exxon zijn veel
slimmer. IBM is bezig een onderzoekslaboratorium in
Peking op poten te zetten dat onder leiding komt te
staan van G.H. Wang, een Amerikaanse Chinees die op
dit moment nog reserach-directeur is bij het grootste
Amerikaanse IBM-laboratorium.
De minister van algemene zaken en de minister van buitenlandse
zaken hebben net Vietnam en China bezocht. Als goede
dominees hebben ze daar een paar flinke reprimandes
over de mensenrechten uitgedeeld. Ze hebben ook wat
ontwikkelingshulp gegeven. Maar de Chinezen hebben wel
moeten beloven dat ze deze gift uitgeven aan milieumaatregelen
- als het kan ook nog bij Nederlandse bedrijven. Geen
woord over studiebeurzen om in Nederland te studeren.
terug naar index

Groene
vrede
Het zit diep in ons. Bewondering voor een lefgozer
die eigenhandig schurken aanpakt. Of ze nu Robin Hood,
Rode Pimpernel, Zorro of Superman heten, op onze sympathie
kunnen ze rekenen. Eigenrichting is verleidelijk. Amerikanen
produceren aan de lopende band populaire films en t.v.-series,
zoals The Equalizer, Hawk, Knightrider en de A-team,
waarin kwade pieren het af moeten leggen tegen rechtschapen
burgers die het recht in eigen handen hebben genomen.
Het is dus niet zo gek dat ook Greenpeace, het groene
A-team, op massale steun kan rekenen. Als echte macho's
wagen de groene ridders hun leven. De strijders voor
'groene vrede' snijden eigenhandig netten door van gemene
Portugese vissers. Die visten namelijk met netten die
veel te groot waren. Greenpeace had zelf de maat genomen.
Helaas deugt de manier van redeneren van Greenpeace
aan geen kanten. Als een van de 600.000 Nederlandse
donateurs - leden en andere pottekijkers kan Greenpeace
niet gebruiken - krijg ik regelmatig bladen van Greenpeace
in de bus. De inhoud doet mij denken aan het propagandamateriaal
van totalitaire regimes. Het doel heiligt de middelen
zullen we maar zeggen.
'The world according to Greenpeace', zit verpletterend
eenvoudig in elkaar. Het volk moet kost wat kost milieubewust
gemaakt worden. Dit dient vooral niet te gebeuren door
te appelleren aan het verstand van de mensen, want het
kan veel gemakkelijker door ze angst aan te jagen met
rampen. Zoals het broeikaseffect, het gat in de ozonlaag
en nu de Franse kernproeven.
Niet alleen van Greenpeace, maar de anti-wetenschappelijke
houding van de gehele groene beweging is eng en gevaarlijk.
Wetenschappelijke discussies zijn niet meer van belang.
Geleerden die genuanceerd denken over het broeikaseffect,
zoals Prof. C.J.F Böttcher, worden niet serieus genomen.
Intussen heeft Böttcher wel een wetenschappelijke staat
van dienst waar geen enkele Hollandse milieudeskundige,
ook geen enkele milieuprofessor, aan kan tippen.
De milieubeweging vervreemdt zich van de wetenschap.
Wetenschappelijke grondwetten worden geschonden. De
onderbouwing van de vele sombere voorspellingen met
een grondige statistische analyse van de gegevens, wordt
niet meer nodig gevonden. Als wetenschappelijke gegevens
een te grote variantie vertonen, zijn ze waardeloos.
Ook al voorspellen ze honderd keer het einde van de
wereld. Iedere wetenschapper weet dat, maar alleen al
het vragen naar de wetenschappelijke betrouwbaarheid
van de milieugegevens, wordt bij de milieuspecialisten
opgevat als een motie van wantrouwen.
De sombere klimaatvoorspellingen gebeuren aan de hand
van overgesimplificeerde modellen. Met wolken weten
ze geen raad in deze simplistische theorieën ( Physics
Today , november 1994). Nieuwe wetenschappelijke
gegevens die een ander beeld oproepen dan de milieubeweging
welgevallig is, worden weggewoven. Een voorbeeld: Absorptie
in de atmosfeer van kortgolvige zonnestraling wordt
volkomen verkeerd voorspeld door de gangbare klimaatmodellen
( Physics Today , mei 1995). Het fanatieke geloof
in het broeikaseffect zal er niet door worden geschokt.
Nu dan de Franse kernproeven. Volgens Minister De Boer
- dezelfde minister die in haar eigen kabinet tegen
Schiphol niks kon klaarmaken - moeten we de Fransen
laten stikken in hun stokbrood. Greenpeace, de opofferingsgezindheid
van het grote publiek beter inschattend, is voor een
meer symbolisch protest.
Het mobiliseren van mensenmassa's tegen kernproeven
is kinderlijk eenvoudig. Je hoeft alleen het woord 'kern'
maar te laten vallen. Feitelijke informatie is dan niet
meer nodig. De milieubeweging is er in het verleden
namelijk in geslaagd om de mensen hysterisch angst in
te boezemen voor alles wat met 'kern' te maken heeft.
Greenpeace komt nu zelfs met de werkelijk belachelijke
kreet: 'nuclear free'.
Wetenschappelijke instituten voor kernonderzoek zagen
zich genoodzaakt hun naam te veranderen. Geen fysicus
die zich nog kernfysicus of kerngeleerde durft te noemen.
Intussen wordt menige Nederlander genezen door toepassing
van de door kerngeleerden uitgevonden, revolutionaire
techniek van ' kern magnetische-resonantie-afbeelding'.
Voordat de ziekenhuizen echter bereid waren tot aanschaf
over te gaan van deze nieuwe apparatuur, moest eerst
het voorvoegsel 'kern' uit de naam verwijderd worden.
Want door de geslaagde heksenjacht van de milieubeweging
op alle kerntechniek wisten de medici dat geen mens
in een 'kernapparaat' zou durven te stappen. Ook al
zou hij er kerngezond van worden. Vandaar dat de naam
van de techniek werd veranderd in magnetische-resonantie-afbeelding.
Als u dit leest, hoop ik ergens in Frankrijk te zitten.
Met croissants en stokbrood.
terug naar index

IJdelheid
Ben Knapen had het allemaal zo mooi bedacht bij zijn
aantreden als hoofdredacteur van de NRC. Hij
zou van NRC Handelsblad meer een krant maken
zoals de Frankfürter Allgemeine . Nog dichter
schurken tegen de captains of industry. De positie van
de NRC leek ijzersterk in een tijd waarin het
vrije ondernemerschap aan een sterke herwaardering onderhevig
is. Maar, zaken zijn zaken. Elsevier ziet meer
brood in het uitgeven van wetenschap dan van dagbladen.
De NRC wordt gedumpt door het Reed-Elsevierconcern.
De Telegraaf popelt om de zakenkrant op te kopen.
Gelukkig voor de NRC en voor ons allemaal is
het martkdenken nog niet zover doorgedenderd dat de
eigenaren van dagbladen invloed kunnen uitoefenen op
de inhoud. Dagbladen die een tikje van de markt krijgen,
kunnen nu nog moord en brand schreeuwen. Geen enkele
krant heeft zich echter de moeite getroost om eens wat
meer informatie te verschaffen over die wetenschappelijke
markt van Elsevier . Waarom is die zo lucratief
en stabiel?
Ik ben redacteur bij zo'n wetenschappelijk tijdschrift
van Elsevier en het spreekt dat ik geïnteresseerd
ben in het wel en wee van het uitgeven van wetenschap.
Maar elke wetenschapper is daar in geïnteresseerd. Zijn
hele bestaan hangt er van af. Het al of niet krijgen
van een vaste baan. Het verder klimmen op de wetenschappelijke
ladder. Het krijgen van uitnodigingen voor conferenties,
het ontvangen van prijzen, tot en met de Nobelprijzen.
Dat alles wordt bepaald door de wetenschappelijke artikelen
die onderzoekers gepubliceerd krijgen. Artikelen waarvan
een fors gedeelte door Elsevier wordt uitgegeven.
De oplage van een wetenschappelijk tijdschrift in de
exacte vakken ligt rond de twee duizend. De abonnementsprijs
van een wetenschappelijk tijdschrift ligt al gauw rond
de vijfduizend gulden per jaar. Vijfduizend gulden maal
twee duizend is tien miljoen gulden per wetenschappelijk
tijdschrift.
Welke kosten staan daar tegenover? Een wetenschappelijk
tijdschrift is eigenlijk niets anders dan een grote
rubriek van ingezonden brieven. Het zal u verbazen,
maar auteurs die hun ingezonden artikel geplaatst krijgen,
ontvangen hiervoor geen enkele vergoeding. Als auteurs
overdrukjes willen van hun eigen artikel moeten ze daarvoor
betalen.
De redacteuren kosten heel weinig. Zij verrichten ook
niet zoveel werk. Zij laten de ingestuurde manuscripten
beoordelen door vakgenoten. Dat beoordelen van een artikel
kost wel veel tijd. Een actieve onderzoeker krijgt al
gauw een manuscript per week te beoordelen. En toch
doen die onderzoekers dat beoordelen helemaal gratis.
Het streelt je ijdelheid om als beoordelaar gevraagd
te worden.
De enige kosten die moeten worden gemaakt betreffen
een paar goed opgeleide bureauredacteuren en de drukkosten.
Voor de distributie zorgt de post.
Is er veel concurrentie? Er zijn een aantal grote wetenschappelijke
uitgeverijen, waaronder een enkele met een ideële basis.
Zoals die van de American Physical Society .
Deze uitgeverij rekent lage abonnementsprijzen en heeft
hoge oplagen. De tijdschriften van deze Amerikaanse
uitgeverij worden zelfs in de Tweede en Derde Wereld
gelezen. Waarom publiceert niet iedereen bij de ideële
uitgevers? Dat heeft vooral te maken met het ego van
de wetenschappers.
Wetenschappers willen wat het ook kost hun artikel
gepubliceerd krijgen. Dus als het ene tijdschrift je
artikel weigert, dan stuur je het naar een ander. Net
zo lang totdat je een tijdschrift hebt gevonden waarvan
de redactie het wel publiceert. Omdat je carrière ervan
afhangt, doe je het graag gratis. Zo is er een markt
voor veel tijdschriften. Er komen er ook nog steeds
bij. Ieder wetenschapper erkent dat er veel te veel
wordt gepubliceerd. Maar niemand weet hoe hier een halt
aan kan worden toegeroepen.
Zijn er helemaal geen donkere wolken voor wetenschappelijke
uitgevers? De opkomst van de informatie-snelweg vormt
ontegenzeglijk een bedreiging voor hun exorbitante winsten.
Er is veel hysterie over het door wetenschappers als
hobby ontwikkelde World-Wide-Web . Veel van de
commotie valt onder de categorie World-Wide-nep. Maar
voor wetenschappers is deze vorm van telecommunicatie
wel serieus. Een groot gedeelte van de communicatie
tussen auteurs, redacteuren, beoordelaars en de uitgevers
gaat nu al over dit net.
De meeste tijdschriften worden nu nog op papier gedrukt.
Maar dat zal snel veranderen. Wetenschappelijke tijdschriften
worden dan alleen nog elektronisch uitgegeven. Om dat
te kunnen behappen, moet Elsevier flink investeren.
Ze moeten daar zelfs een gevaarlijke achterstand wegwerken.
Het bedrijfsresultaat van dagbladen hangt af van vele
instabiele maatschappelijke factoren. Het succes van
wetenschappelijke uitgeverijen is gebaseerd op de ego's
van wetenschappers. Een stabielere basis is voor een
bedrijf niet denkbaar.
terug naar index

Komkommer
Het is alweer bijna voorbij, die mooie zomer. Ik zal
haar missen. Weer was niets te onbenullig om in het
nieuws te komen. Het VVD-kamerlid Kamp hield zich bezig
met de bedreiging die biobakken vormen voor de volksgezondheid.
Datzelfde kamerlid had zich vroeger al verdienstelijk
gemaakt door de te grote bemoeienis van de overheid
aan de kaak te stellen bij het vaststellen van de brandbaarheid
van onderbroeken.
Er dreigt een gevaar. Deze zomer lijken de religieuze
fundamentalisten angstig op te rukken. Door hun toedoen
wordt de theorie van Darwin niet geëxamineerd op middelbare
scholen. Aan deze misstand moet een einde worden gemaakt.
Een van de belangrijkste strijders voor Darwin is <voornaam??>
Roskam, de evolutiebioloog uit Leiden. Ik hoorde hem
op de Tros-radio zeggen dat de theorie van Darwin 'de
best geteste natuurwetenschappelijke theorie is die
de mensheid kent'. 'Pardon!' was het enige dat ik nog
uit kon brengen. Ineens was het me duidelijk. De voorgewende
opwinding over Darwin was gewoon een geconcerteerde
actie om de biologie te promoten. En daar is natuurlijk
niets op tegen.
Als ik werk van Stephen J. Gould lees, de Amerikaanse
paleontoloog die voor de VPRO-televisie optrad, krijg
ik een veel kritischer beeld van de theorie van Darwin
dan de halleluja van Roskam. Een groot probleem bij
de theorie is de vaagheid over de tijd die nodig is
voor evolutie. Gould voert zelfs het begrip Deep Time
in om uit te leggen dat geologische tijdschalen het
begrip van mensen te boven gaat. Er is trouwens helemaal
geen sprake van één theorie van Darwin. Je hebt strikt-Darwinisme.
En Neo-darwinisme. Van beide moet Gould niets hebben.
Hij heeft een eigen prive-versie van de theorie van
Darwin: de theorie van het 'punctuated equilibrium'.
Die komkommer over Darwin demonstreert nog eens duidelijk
het probleem van de wetenschappelijke wereld. De media
zijn steeds minder geïnteresseerd in serieuse wetenschap.
Wetenschap is geen amusement. Wetenschap is geen ruzie.
En wetenschap kan meestal niet in een minuut worden
uitgelegd.
Wat moeten wij wetenschappers doen om te overleven.
Moeten we hetzes creëren? Of moeten we paranormale verschijnselen
wetenschappelijk gaan controleren? Zoals de Universiteit
van Utrecht doet: daar gaat de geneeskracht van Jomanda
bestudeerd worden. Moeten we meedoen aan wetenschapsquizzen?
Ik vrees van wel.
Is het doen van voortreffelijke wetenschappelijk onderzoek
niet meer genoeg legitimering voor ons werk? Ik vrees
van niet. Deze zomer is een belangrijke ontdekking gedaan
in de natuurkunde. Misschien wel de belangrijkste van
de laatste vijf jaar. Misschien wel de belangrijkste
van de laatste vijfentwintig jaar. Het heeft alleen
in de wetenschapbijlagen van enkele kranten gestaan.
De ontdekking heet Bose-condensatie. Er werd al tientallen
jaren naar dit fenomeen gezocht. Bij een lage temperatuur
blijken bepaalde gassen - in dit gevalbestaande uit
rubidium atomen - een vreemde faseovergang te ondergaan.
Alle atomen gaan in de pas lopen, met allemaal precies
dezelfde snelheid. Een verschijnsel dat alleen maar
begrepen kan worden met behulp van de quantummechanica.
Diezelfde quantummechanica die verantwoordelijk is voor
de onzekerheidsrelaties van Heisenberg. Verdere details
leg ik later nog wel eens uit, bijv. als de Nobelprijs
gegeven is. Deze ontdekking was niet het resultaat van
grootschalige wetenschap. Het betrof hier een Amerikaanse
tweemans-operatie.
Het Amerikaanse persbericht meldt trots dat een nieuwe
vorm van materie gevonden is. Na de vaste, de vloeibare
en de gasfase kennen we nu ook de Bose-gecondenseerde
fase. Het radioprogramma Met Het Oog op Morgen wilde
er weleen paar minuten aan besteden. Presentatrice Marga
van Arnhem had wetenschapsjournalist Herbert Blankestein
gevraagd om op vijf voor twaalf `snachts uit te leggen
waarom die Amerikanen zoveel kabaal maakten. En wat
zegt Marga, nadat aan haar uitgelegd is dat er na tweeduizend
jaar beschaving een nieuwe vorm van materie is ontdekt:
' En nu, Herbert, de hamvraag. Wat is het nut?'
Bij de BBC radio was het zo mogelijk nog erger. De
onderzoekers die de ontdekking uitlegden, moesten werkelijk
door hun knieën. Ze moesten rechtvaardigen waarom belastingcenten
aan deze spielerei mocht worden besteed. Ze kwamen met
toepassingen die uitstekend zouden passen in eenprogramma
van Monty Python.
Laat ik eens wat moderne uitvindingen op een rijtje
zetten. Transistoren. Chips. Gevoelige lichtsensoren.
Heldere lichtbronnen. Het zijn essentiële onderdelen
van bijv. televisietoestellen (en camera's en zenders),
stereoapparatuur, computers, compact-disks en telecommunicatie-apparatuur.
Allemaal uitvindingen gebaseerd op quantummechanische
principes. Hoe al die ontdekkingen mogelijk waren? Omdat
tussen 1920 en 1980 niet iedere wetenschapper voortdurend
werd lastig gevallen met de hamvraag.
terug naar index

Voorlichting
Veel lelijke daden zijn toegestaan bij het maken van
reclame voor een commercieel produkt. Liegen en bedriegen,
het mag allemaal. Dit in tegenstelling tot voorlichting.
Voorlichting houdt in dat mensen objectieve informatie
krijgen aangeboden, meestal in een makkelijk te verteren
vorm.
Mensen kunnen nooit te veel voorgelicht worden. Ook
dit kabinet denkt er zo over. In de paarse coalitie
kan niemand buiten Den Haag een greintje milieuvriendelijkheid
ontdekken. Wat denken de zgn. progressieve partijen
hieraan te doen? Het beleid veranderen? Nee, het beleid
van dit en de andere ministeries moet beter worden verkocht.
Met onmiddellijke ingang worden een aantal voorlichters
van de juiste politieke kleur aangesteld. Dit begint
al gevaarlijk veel op ministeriële propaganda te lijken.
Voorlichting wordt gegeven door organisaties die een
monopolie-positie hebben. De ministeries; de belastingdienst;
TNO; de Nederlandse Spoorwegen; de Nederlandse organisatie
voor wetenschappelijk Onderzoek (NWO), om er een paar
te noemen. Allemaal eisen ze pagina's van landelijke
dagbladen op. Of vullen ze hele Sterblokken op de radio
met hun voorlichting.
Waar hebben we deze stortvloed van gratis nascholing
aan te danken? Bedreigen ons steeds meer gevaren, waarvoor
we gewaarschuwd moeten worden? Welnee. De voorlichting
heeft een andere karakter gekregen. Het dient niet meer
ter informatie van de burger, maar ter meerdere glorie
van de desbetreffende organisatie.
De aanleiding voor een publieke organisatie om zo'n
propaganda-campagne te starten, is dat de bestuurders
van deze organisatie ontevreden zijn over maatschappelijke
waardering die zij ontvangen. Met meer voorlichting
denkt men het tij te keren.
In vele westerse landen maken nationale onderzoeksorganisaties
zich zorgen om de afnemende bereidheid van hun overheden
om wetenschappelijk onderzoek te financieren. De publieke
opinie mobiliseren met voorlichting wordt als laatste
redmiddel gezien. In de Verenigde Staten sporen bestuurders
van onderzoeksorganisaties alle wetenschappers zelfs
sterk aan om zich veel intensiever bezig te houden met
het contact met het grote publiek. De eerste wetenschappelijke
Tupperware-parties zijn al gestart.
In Nederland coördineert NWO het wetenschappelijk onderzoek.
Ook deze organisatie voelt zich ondergewaardeerd door
de politiek en vindt dat ze veel te weinig geld krijgt
om te verdelen onder wetenschappers. Een dergelijke
situatie vraagt om meer profilering en dus om een indringende
voorlichtingscampagne.
In paginagrote advertenties werd Nederland gewaarschuwd.
Als B.V. Nederland niet snel meer geld zou gaan uitgeven
aan technisch-wetenschappelijk onderzoek dan zou het
slecht aflopen met hoogwaardige technologie in Nederland.
Helaas bleken de NWO pagina's een historisch onverantwoorde
tekst te bevatten. Dat mocht de pret niet drukken, want
geschiedenis was toch al geen prioriteitsgebied van
NWO. De organisatie moet ook zo nodig een eigen magazine
uitgeven:
Hypothese
.
Hypothese
bevat naast de verheerlijking van de eigen activiteiten
een willekeurige verzameling van wetenschappelijke feitjes.
De doelgroep is onduidelijk.
De campagne heeft tot nu toe weinig opgeleverd. Zoals
elke monopolist vertoont ook NWO geen enkele neiging
tot zelfkritiek. Iedereen binnen de organisatie vindt
dat NWO een ideale organisatie is. De interne structuur
is een typisch Nederlandse, die van de oneindige consensus.
Over het stoppen van lopende projecten kan nooit consensus
worden bereikt. Als molenstenen blijven ze hangen om
de nek van de organisatie.
Publieke organisaties met een monopolie hebben het
veel te makkelijk. In het wetenschapsbedrijf is het
contrast tussen de wetenschappers en de monopoliehouder
schrijnend. Onderzoekers hebben te maken met een moordende
internationale concurrentie. De bureaucraten, die alleen
maar het geld van de overheid hoeven door te sluizen,
maken misbruik van hun monopolie-positie. Wetenschappers
worden voortdurend gekleineerd en onder druk gezet.
De bestuurders laten onafgebroken de prestaties van
'hun' wetenschappers 'meten'. De eerstvolgende twee
weken ben ik weer zoet met de zoveelste overbodige tijdrovende
kwaliteitsbeoordeling. En de ambtelijke coördinatoren
kunnen gemakkelijk in hun stoel achterover leunen. Als
zij problemen hebben, gooien ze er wel een arrogante
voorlichtingscampagne tegenaan om de zwarte piet bij
de politiek neer te leggen.
Monopolies van publieke organisaties moeten worden
gebroken. Zou het niet prachtig zijn? Twee belastingdiensten.
Na vijftig jaar ook een tweede rijksvoorlichtingsdienst.
Ook het monopolie van NWO is uit de tijd. Laten zij
ook de concurrentie maar eens flink voelen. We zouden
een veel flexibelere coördinatie van wetenschappelijk
onderzoek krijgen.
Twee organisaties voor onderzoek: NWO-I en NWO-II.
Dan zouden ze reclame moeten gaan maken voor zichzelf
in plaats van voorlichting te geven. Dan zouden ze moeten
vechten om goede wetenschappers in hun portefeuille
te krijgen. Ik droom wel eens vaker hardop.
terug naar index

Human
interest
Darwin, Freud, Wittgenstein, Gödel, Einstein. Elke
wetenschap kent haar eigen genieën. Ze worden vereerd
als afgoden. Maar hoe belangrijk is hun werk tegenwoordig?
Moet elke evolutiebioloog vandaag de dag nog steeds
On the origin of species by means of natural selection
van Darwin spellen. En moet elke filosoof die een
proefschrift voorbereidt nog altijd eerst de
Tractatus logico-philosophicus
van Wittgenstein doorploeteren? Of kunnen aankomende
geleerden volstaan met het bestuderen van de modernste
vakliteratuur.
Een psycho-analyticus die bekent niets van het werk
van Sigmund Freud te hebben gelezen, wordt voor gek
uitgemaakt. Bekwamen in psychoanalyse houdt een verplichting
in van het lezen van het werk Freud. Het is van wezenlijk
belang om te zien hoe de Meester zelf het Oedipus-complex
beschrijft. Ook voor het duiden van dromen zijn de woorden
van de Meester zelf onmisbaar.
De Oostenrijks-Amerikaanse psychiater Bruno Bettelheim
had als stelling dat een groot gedeelte van de Amerikaanse
psychoanalyse ontspoord is, en wel omdat de psychiaters
uit de Nieuwe Wereld alleen maar vertalingen van Freud
hebben gelezen. En bij het maken van die vertalingen
van het Duits naar het Engels zouden veel fouten zijn
gemaakt. Om een voorbeeld te noemen. Freud spreekt van
'Das Ich' en 'Über-Ich'. Deze termen werden vertaald
als 'the ego' en 'superego'. Terwijl Bettelheim vond
dat het duidelijk was dat Freud 'the I' and 'the above-I'
bedoelde.
Toch is het merkwaardig dat na honderd jaar ontwikkeling
van een vakgebied nog steeds de woorden in de geschriften
van de grondlegger met een vergrootglas dienen te worden
bestudeerd. Dat duidt op stagnatie.
Ho, ho. Dat is wel een heel sterke conclusie. Iemand
die klassieke talen studeert, moet juist het oorspronkelijke
werk analyseren. Dit duidt helemaal niet op stagnatie.
Twisten over wat Plato nu wel of wel of niet heeft bedoeld,
dat is de kern van het vak. Ook voor theologie moet
je elke keer opnieuw tot de bron keren, die de Bijbel
is.
Hoe anders is het gesteld met natuurwetenschap en wiskunde.
Raadplegen van de bronnen is overbodig. Wiskundigen
staan niet stil bij het werk van de Fransman Henri Poincaré
(1854-1912). De ontwikkelingen gaan door. De nakomelingen
bouwen verder aan het huis. Juist dat verder bouwen
is een eerbetoon aan de grote geesten. De briljante
koppen hebben die verdere groei mogelijk gemaakt. Onderzoekers
die na hen komen, vereenvoudigen en verbeteren het werk
van de meesters. Na verloop van tijd wordt het oorspronkelijke
werk van de meesters niet eens meer geciteerd. Alleen
hun naam blijft nog verbonden aan hun ontdekkingen.
Een jonge scheikundige die aan de weg wil timmeren,
moet vooral niets van Lavoisier, Priestley of Van 't
Hoff gaan lezen. Dat houdt alleen maar op. Het is voldoende
om een aantal artikelen uit de laatste vijf jaargangen
van
The Journal of Chemical Physics
te bestuderen.
Starters in de natuurkunde die de top willen bereiken,
moeten beginnen met het overslaan van alles wat Newton,
Einstein en Bohr ooit geschreven hebben. Bestudering
van de gehele correspondentie van Einstein; Het lezen
van de mistige bijdragen van Bohr; Dienen deze activiteiten
dan geen enkel natuurwetenschappelijk doel? Nee, inderdaad
niet.
Maar deze historische en sociologische studies zijn
wel heel belangrijk. Ze verschaffen inzicht in het functioneren
van de natuurwetenschappelijke gemeenschap. Zij vormen
de schakel tussen de natuurwetenschap en de rest van
de maatschappij. Iedere natuurkundige merkt dat enige
kennis van het werk en leven van Bohr goed van pas komt
bij borreltafel en recepties. De giganten van de natuurwetenschap
hebben een symboolfunktie. De maatschappij als geheel
is in ze geïnteresseerd. Wat had Bohr met Yin en Yang?
Wat had Einstein met vrouwen? Brandende vragen voor
de gehele samenleving.
Erwin Schrödinger was een briljant Oostenrijks fysicus.
Nou en!, zult u zeggen. Hij moest in 1933 uit Berlijn
vluchten voor de nazi's. Hij kreeg een baan aangeboden
in Oxford. Een grote eer. Nou, en!, zult u zeggen. Maar
Erwin woonde in Engeland officieel samen met twee vrouwen.
En nu ineens bent u wel geïnteresseerd in die Schrödinger.
Wie het met wie deed en doet, is iets wat altijd weer
boeit.
Het publiek is geïnteresseerd in de mens achter het
wetenschappelijk genie. De natuurwetenschappers hopen
deze 'human interest' te kunnen gebruiken om ook belangstelling
voor de inhoud van hun vak op te wekken. Erg succesvol
is deze aanpak tot nu toe niet geweest.
terug naar index

Luizenplaag
Ik zal u vertellen over wat ik de laatste twee weken
heb meegemaakt als gebruiker van een personal computer.
Het is een verhaal over muizen en luizen.
Ik moet de eerstkomende twee weken een aantal wetenschappelijke
voordrachten houden in Boston. Zoals elke natuurkundige
zal ik die lezingen houden aan de hand van overhead-transparanten.
Om met mijn tijd mee te gaan, schrijf ik mijn transparanten
steeds minder met de hand, maar maak ik steeds meer
gebruik van softwarepakketten die speciaal voor dit
doel zijn ontworpen.
Het ging al meteen fout. Voordat ik goed en wel de
eerste afbeelding met de computer gemaakt had, begaf
mijn muis het na vijf jaar trouwe dienst. Dus snel een
nieuwe gekocht (Logitech). Na installatie van de software
voor de muis bleek dat mijn computer honderd keer trager
was geworden. Na twee uur zoeken, kwam ik achter de
oorzaak. De muis had luizen. Of beter gezegd het spiksplinternieuwe
stuurprogramma van de muis had luizen.
Een luis is de Nederlandse vertaling van het Engelse
'bug', waarmee een ontwerpfout in een computerprogramma
aangeduid wordt. Gelukkig kon ik nog ergens op mijn
werk een
oudere
versie van het muisprogramma op de kop tikken dat
minder luizen bevatte. Nadat ik deze geïnstalleerd had,
was de computer, met muis en al, terug op de oude snelheid.
tijd. Ik was alweer een dag verder.
Ik had met mijn presentatie-software (Wordperfect Presentations)
na een dag zo'n twintig transparanten ontworpen. In
de tussentijd hadden de alom aanwezige luizen mijn computer
al zeker twintig keer laten vastlopen. Maar daar weet
de getrainde computergebruiker wel mee om te gaan. Toen
deed ik iets heel 'stoms'. Net voordat ik de afbeeldingen
ging afdrukken, wijzigde ik de instelling van de linker
kantlijn.
Alle
twintig afbeeldingen waren in een klap hinderlijk
veranderd en de fout was niet meer te herstellen. Weer
een dag verpest.
De volgende dag opnieuw begonnen. Aan het einde van
die dag wilde ik de resultaten eerst testen door ze
niet in kleur maar in zwart-wit af te drukken. Afdrukken
in kleur is langzaam en duur. Helaas kwam steeds maar
de helft van de afbeelding op het papier terecht. Na
letterlijk meer dan twintig pogingen, en dito vellen
gedrukt papier, en een paar uur verder komen ze er eindelijk
goed uit.
De volgende dag is alles gereed om in kleur af te drukken.
Ik druk de eerste transparant af. Helaas blijkt dan
dat slechts een kwart van de afbeelding werkelijk wordt
afgedrukt, wel in mooie kleuren. Weer een luis. Uren
aan gespendeerd zonder de oplossing te vinden. Ik heb
mijn kleurenprinter (Epson) pas acht maanden geleden
gekocht, maar blijkbaar was het officiële bijgeleverde
stuurprogramma nu al verouderd.
Over vier dagen zou mijn vliegtuig vertrekken. Gelukkig
heb ik een abonnement op het Amerikaanse computernetwerk
CompuServe. Ik bel via Amsterdam naar Amerika en haal
bij Epson het nieuwste stuurprogramma op. Een uur later
werkt het. Drie mooie transparanten komen eruit en dan,
dan, gaat bij de vierde de printer kapot.
Ik geef niet op. Reparatie duurt te lang, dus koop
ik een nieuwe kleurenprinter (Hewlett-Packard). Ik kom
thuis en pak de printer uit. Eerst even de printer testen
zonder computer. Doet ie het of doet ie het niet? Hij
doet het niet. Na een uur proberen en volkomen gestressed
de fabrikant gebeld. Samen komen we er uit. De printer
start niet als hij aangesloten is aan een computer die
niet aanstaat. Dus of computer aan, of kabel eruit.
Logisch toch! Alles werkt nu. De vastlopers neem ik
nog steeds voor lief.
Als u denkt dat u te maken heeft met de klaagzang van
een oude computer-analfabeet, dan heeft u het mis. Ik
gebruik al vijf en twintig jaar dagelijks computers.
Ik zou zo'n zelfde verhaal kunnen houden over de software
van Microsoft. Of over lokale netwerken. Daar heerst
een ware luizenplaag. Hoe vaak horen we niet ergens
dat de computer 'down' is.
Het is een gigantische chaos. Hele kantoren worden
erdoor ontwricht De spullen van software fabrikanten
deugen aan geen kant. In elke ander branche zou het
troep worden genoemd.
Alle oplichtingspraktijken van de software-fabrikanten
worden geaccepteerd. Niemand durft te protesteren, want
je wordt ogenblikkelijk voor een computer-analfabeet
uitgemaakt. Wie zwart-wit denkt zoals Marcel van Dam
ziet alleen maar voordelen in de digitale revolutie.
Zijn secretaresse zal zijn stukjes wel typen. Ook de
journalisten in de vakbladen protesteren niet. Die verdienen
dan ook hun brood aan deze business.
Steeds meer wordt in onze maatschappij de uitdrukking
'steeds meer' gebruikt. Geen andere uitdrukking symboliseert
beter een doorzettende trend. Steeds meer rukt de computer
op in ons dagelijks leven.
Wat ik vind van de digitale revolutie? Ik zie steeds
meer beestjes om mij heen.
terug naar index

Bewustzijn
Ik lees graag, maar dan wel op de postmoderne manier,
dat wil zeggen: Ik lees geen boeken, maar ik lees over
boeken. Hier in Cambridge, een voorstadje van Boston,
is geen enkel Nederlands dag- of weekblad te krijgen.
Ik ben voor mijn informatie over boeken dus aangewezen
op
The New York Review of Books
. In het nummer van 2 november staat een boeiend
opstel van de Berkeley filosoof John R. Searle, getiteld
Het mysterie van het bewustzijn
.
Te speculeren over het bewustzijn is weer helemaal
in. Menig gearriveerde natuurwetenschapper vindt het
nodig om er een boek over te schrijven. Searle bespreekt
er een aantal. Onder het mom van een boekbespreking
wordt een geestige, maar ook vooral keiharde, one-manshow
opgevoerd. Searle schept voortdurend op over zichzelf.
De Amerikaanse filosoof bewijst dat het bewustzijn
niet een computerprogramma is. Het bewijs is dat van
de Chinese kamer. Een proefpersoon die geen woord Chinees
verstaat, zit opgesloten in een kamer. In de kamer bevindt
zich een boek met spelregels (staat voor het computerprogramma)
en een grote verzameling van Chinese lettertekens (de
gegevensbank). Regelmatig worden er van buiten door
een luikje een aantal Chinese lettertekens aan de persoon
gegeven (er wordt een vraag gesteld in het Chinees).
De proefpersoon kijkt in het boek met spelregels dat
hem vertelt welke handelingen hij moet verrichten met
deze tekens (hij voert het programma uit). Als resultaat
geeft hij een aantal lettertekens door naar buiten:
De proefpersoon beantwoordt de vraag.
De proefpersoon is in staat om alle vragen te beantwoorden,
terwijl hij geen woord Chinees begrijpt. Als voor de
proefpersoon het uitvoeren van een programma niet voldoende
is om Chinees te begrijpen, zal dat ook gelden voor
elke computer, omdat geen enkele computer iets heeft
wat de proefpersoon niet heeft. Een computer zal dus
nooit Chinees, of welke taal dan ook, begrijpen.
Hebben de hersenen dan niets van een computer? Maar
natuurlijk wel, zegt Searle. Een raam heeft ook iets
van een computer: Raam dicht is 0 en raam open is 1.
Voortdurend maakt filosoof Searle de wereldberoemde
natuurwetenschappers Francis Crick en Roger Penrose
belachelijk. Honderden pagina's ingewikkelde quantummechanica
van Penrose worden afgedaan als irrelevant voor het
probleem van het bewustzijn. Crick krijgt een lesje
in wat reductionisme inhoudt. Het gevoel van pijn kan
nooit worden gereduceerd tot alleen maar de werking
van neuronen.
Ook de Amsterdamse Boekengids van afgelopen september
doet mee aan de trend van aandacht voor het bewustzijn.
De Utrechtse hoogleraar-bioloog Wim van de Grind besprak
daarin ongeveer dezelfde boeken als Searle nu doet.
Van de Grind moet natuurlijk veel meer op zijn woorden
passen als Searle want hij bespreekt werk van collega-natuurwetenschappers.
Verder is van de Grind als echte Nederlander bescheiden
over zijn eigen bijdragen. Maar ook hier is sprake van
een boeiend verhaal met humor en tussen de regels door
heel wat venijnige kritiek.
'Wat is bewustzijn?' behoort tot de top-drie van de
Grote Vragen. De andere zijn 'Bestaat God?' en 'Hoe
is de wereld ontstaan?'. De Grote Vragen spreken tot
de verbeelding van iedereen. Menig wetenschappelijke
discipline heeft in de loop der tijden beweerd het antwoord
te hebben op een van de Grote Vragen. Elke keer weer
trapt het publiek daar in.
Als wetenschappers met hun werk naar Grote Vragen refereren
staan, ze meteen middenin de belangstelling. In de natuurkunde
waren er in de jaren zeventig een paar slimme natuurkundigen
in Californië bezig om het magnetisme van stoffen zoals
ijzer te verklaren door gebruik te maken van computerprogramma's.
Magnetisme is een technisch onderwerp en geen buitenstaander
was geïnteresseerd in hun werk. Totdat ze op het briljante
idee kwamen om deze computerprogramma's 'neurale netwerken'
te noemen. Het heeft ze geen windeieren gelegd. De implicatie
was duidelijk. De hersenen werken net als deze computerprogramma's.
Ik heb een van deze 'neurale netwerkers' serieus horen
verdedigen dat zijn computerprogramma's ook mensenrechten
zouden moeten krijgen. Wie mag bijvoorbeeld de stekker
uit het stopcontact trekken als zo'n computerprogramma
is vastgelopen? Dat is vergelijkbaar met actieve euthanasie.
De feitelijke situatie is dat bij de beantwoording
van de Grote Vragen in tweeduizend jaar weinig tot geen
vooruitgang is gemaakt. De vragen raken de grondslagen
van de wetenschap en zelfs een goede formulering van
de vragen alleen al vergt filosofische scholing. Als
er vorderingen worden geclaimd, blijkt achteraf dat
het - vaak briljante - wetenschappers betreft die buiten
hun boekje zijn gegaan en als amateurfilosofen flink
aan het blunderen zijn geslagen.
terug naar index

ET
en zijn makkers
Als de sterrenkunde ons iets leert, is het wel dat
de aarde en de zon geen speciale plaats innemen in het
heelal. Waarom zou de mens dan wel speciaal zijn? Waarom
zouden er niet nog meer plekken in het heelal zijn waar
intelligente wezens voorkomen. Het zoeken naar buitenaardse
intelligentie wordt in de Verenigde Staten SETI genoemd
('Search for Extra-Terrestrial Intelligence').
Het grote publiek is geïnteresseerd in buitenaardse
wezens. De film
ET
was een succes en op dit moment is de tv-serie
The Twilight Zone
een hit in Amerika. Omdat in science fiction buitenaardse
wezens zo onwetenschappelijk worden beschreven, durven
de meeste wetenschappers het niet aan om aan het onderzoek
naar buitenaardse intelligentie mee te doen. Ze zijn
bang dat ze worden geassocieerd met die onzinnige science
fiction.
Het merendeel van de wetenschappers twijfelt er niet
aan dat buitenaardse intelligentie bestaat. Hoe sporen
we deze buitenaardse wezens op? Waar zit ET? Volgens
onze aardse opvattingen houdt intelligentie de mogelijkheid
en de wil in om te communiceren. Die buitenaardse wezens
kunnen dus communiceren en misschien proberen ze wel
met ons in contact te komen. Hoe doen ze dat? Ze zitten
heel ver weg van ons. De communicatie moet snel gaan,
want anders doen hun seinen er een eeuwigheid over om
hier te komen.
ET en zijn makkers zijn slim en zij weten dus welke
communicatiemiddelen ze moeten gebruiken. Maar wij weten
ook welke middelen ze gebruiken. Want, is dat even geluk,
onze natuurwetten zijn ook hun natuurwetten. Voor buitenaardse
beschavingen geldt ook dat geen enkel signaal zich sneller
kan voortplanten dan met de lichtsnelheid. Ongetwijfeld
maken zij voor communicatie gebruik van stralen die
met deze maximumsnelheid gaan, zoals licht, of radargolven,
of radiogolven. Die golven die ET uitzendt, kunnen we
proberen op te vangen met telescopen.
Dat is dus zo geregeld. Even aan de collega's sterrenkundigen
vragen of we hun telescoop een jaartje mogen lenen om
naar ET te zoeken. Maar die sterrenkundigen kijken naar
supernova-explosies en pulsars. Die krijg je van hun
leven niet van hun telescopen af.
Verleden week was er op de Universiteit van Harvard
een feestje ter gelegenheid van de ingebruikstelling
van een speciale radiotelescoop. Financiering van de
telescoop gebeurde o.a. door NASA. De 26-meter telescoop
wordt geheel gebruikt voor onderzoek naar buitenaardse
intelligentie. Het is het geesteskind van Paul Horowitz.
Paul is hoogleraar in de elektronica op Harvard. Onder
zijn leiding werd de benodigde elektronica voor het
project ontworpen.
De elektronica bestaat uit uiterst moderne signaalverwerkingsapparatuur
gekoppeld aan een supercomputer van eigen ontwerp. Er
zijn allerlei trucs ingebouwd om valse signalen - bijv.
komend van de aarde of van onze eigen ruimtesatelieten
- te scheiden van de echte groeten van ET. Er is tot
nu toe nog niets gevonden. Wel werden de noodsignalen
van een allang opgegeven, ver van ons verwijderd ruimtevaartuig
opgevangen. Hulp kon niet worden geboden.
En nu de bekende vraag: wat is het nut van dit onderzoek?
Hoe groot is de kans dat ze iets vinden? Die kans is
niet groot. Maar als ze ergens een buitenaardse beschaving
ontdekken, is het wel de grootste ontdekking aller tijden.
Vele vragen komen in je op. Voeren ze daar ook oorlogen?
Is de God van ET even liefdeloos als die van Abraham?
In Rome hebben ze het antwoord al klaar: Het is hun
God die ons die signalen stuurt en ons de indruk geeft
dat er buitenaardse wezens zijn.
Vele Amerikaanse media hebben aandacht besteed aan
de feestelijke ingebruikstelling van de SETI-telescoop.
Toch is SETI-onderzoek controversieel onder wetenschappers.
Ik kreeg heel wat negatieve reacties toen ik tegen Amerikaanse
collega's bekende dat ik bij de festiviteiten was geweest.
Een paar dagen later ging ik op bezoek bij Dave Pritchard
die op MIT
(Massachusetts Institute of Technology
) werkt. Dave is een briljant natuurkundige die
prachtige experimenten doet met licht. Hij publiceert
vele aandachttrekkende artikelen per jaar in het toptijdschrift
Physical Review Letters
. Ik vraag Dave wat hij van SETI-onderzoek vindt.
Hij zegt niets, staat op en pakt een boek van zeker
duizend pagina's en laat het aan mij zien. Het is het
verslag van een wetenschappelijke conferentie die kort
geleden door Dave en zijn vrouw georganiseerd werd.
Het echtpaar Pritchard voerde ook de redactie over het
boek. Het onderwerp van de conferentie en de titel van
het boek luidde
Ontvoering door buitenaardse wezens
('Alien Abduction')
. De conferentie ging over wetenschappelijk onderzoek
naar de waarheid van de verhalen van mensen die zeggen
dat zij door buitenaardse wezens zijn ontvoerd.
terug naar index

File-theorie
Zonder transport geen leven. Op elk moment van de dag
bevinden vele mensen zich op een plek waar ze niet willen
zijn. Ook goederen bevinden zich vaak op de verkeerde
plek. De oplossing voor deze problemen heet vervoer.
Ook in het menselijk lichaam is transport essentieel.
Zo essentieel dat dit transport regelmatig wordt gebruikt
in vergelijkingen: Goed-functionerende wegen worden
vergeleken met slagaders.
Er kan veel fout gaan bij het transport. Er ontstaan
verstoppingen en files. Hoe lossen we deze problemen
op? Laten we eens kijken hoe moeder Natuur haar transport
verzorgt bij levende organismen. Zij heeft gekozen voor
een grove, ouderwetse techniek: de goederen worden rondgepompt
in buizen. Verstoppingen van dit buizenstelsel bij de
mens worden door de chirurg bestreden met een bypass,
een uitvinding van de loodgieter.
Je zou verwachten dat bij het tegengaan van de files
op de autowegen gekozen wordt voor modernere, meer verfijnde
high-tech oplossingen. Bijv. door meer computers in
te schakelen. Het verkeer gaat dan niet over de gewone
maar over de digitale snelweg. Dat is inderdaad een
alternatief, maar helaas niet weggelegd voor Nederland.
Afgezien van onze moderne landbouw heeft Nederland geen
enkele high-tech industrie van betekenis. Dit land heeft
allang en definitief gekozen voor simpele, primitieve
technieken. Het stimuleren van kennisintensieve bedrijven
beperkt zich tot misselijk-makende, gratuite propaganda
van minister Wijers.
De hele digitale revolutie is aan ons bedrijfsleven
voorbijgegaan. Computers kopen en spelletjes spelen,
dat kunnen wij Nederlanders wel. Maar creatief zijn
en op dat gebied iets produceren, is er niet bij. Geen
enkele Hollandse software is geschikt is export. Telewinkelen
en telebankieren zijn ontwikkelingen die de noodzaak
tot vervoer van personen zou kunnen verminderen. Helaas,
de banken, verzekeringsmaatschappijen, grootwinkelbedrijven,
ze laten het allemaal afweten op dit terrein. De enige
gunstige uitzondering is het telebankieren bij de Postbank.
Dit is een land waarin elk high-tech activiteit tot
falen is gedoemd. Wij moeten het fileprobleem aanpakken
met eenvoudige, primitieve oplossingen. Dat betekent
dat we veel meer wegen moeten bouwen en dat we tegelijkertijd
het gebruik van die wegen zullen moeten afremmen door
tol te heffen. Ik heb het niet over ingewikkeld rekeningrijden
met chips die ingebouwd zijn in auto's en in wegen.
Dat is veel te hoog gegrepen. Gewoon tolhuisjes plaatsen
waar contant moet worden betaald. Geen abonnementen.
Geen administratie. Veel banen.
Voor u is de file een irritant verschijnsel, maar voor
wetenschappers is het optreden van files heel boeiend.
Veel natuurwetenschappelijke principes kunnen worden
gedemonstreerd aan de hand van het verkeer. De Fransen
hebben een plastische beschrijving van vlot verkeer.
Als er geen files zijn, spreken zij van 'fluïde verkeer'.
En zo is het ook, de verkeersstroom gedraagt zich als
een fluïdum. Als een vloeistof. Als er een file staat,
is het fluïdum gestold.
Kan een wetenschappelijke studie van de eigenschappen
van files helpen bij de oplossing van files op de autosnelwegen?
Een hele tak van de wiskunde houdt zich bezig met de
vorming van rijen en files. De theorie is tot bloei
gekomen doordat de behoefte ontstond om telefooncentrales
en telefoonlijnen optimaal te benutten. Deze wiskunde
heeft echter grote moeite om rijen te beschrijven waar
psychologische factoren in rekening moeten worden gebracht.
De theorie is van weinig nut bij het bestrijden van
filevorming op de snelwegen omdat de psychologie van
de bestuurders bij die filevorming juist een belangrijke
rol speelt.
Het transport in de natuur is vaak grof en primitief.
Alles klotst en botst. Zijn er in die natuur echt helemaal
geen voorbeelden te vinden van hoogstaande vormen van
transport waar we lering uit zouden kunnen trekken?
Die uitzonderingen zijn er wel degelijk. Sommige vormen
van transport - zoals supergeleiding - zijn werkelijk
zeer verfijnd: dit buitengewoon efficiënte transport
vindt plaats zonder botsingen en zonder wrijving. De
wetenschapper noemt dit transport superfluïde. Dit vervoer
zonder wrijving kent wel een maximumsnelheid. Indien
de snelheid van superfluïde transport wordt opgevoerd
tot boven die toegestane maximum snelheid, verwordt
het transport weer tot de primitieve vorm met botsingen
en wrijving.
Kunnen we van dit verschijnsel van superfluïditeit
iets leren voor het autoverkeer. Jazeker. Als we de
maximumsnelheid op de snelwegen reduceren 50 km/uur
zullen alle automobilisten met die snelheid gaan rijden.
Het verkeer wordt superfluïde en alle files zijn opgelost.
Helaas, geen Minister van Verkeer en geen pooier in
Amsterdam zou die maximumsnelheid accepteren. Dan staan
ze toch maar liever in de file met een grote glimmende
auto.
terug naar index

Servisch
genie
Uitvinders, hoe geniaal ze ook zijn, raken snel in
de vergetelheid. In hun glorietijd worden ze door het
grote publiek op handen gedragen. Hun namen komen echter
nooit in de leerboeken en hun bekendheid verbleekt daarom
snel. Het negeren door de gevestigde wetenschap van
uitvinders past geheel in onze cultuur waarin mensen
die met hun hoofd werken, neerkijken op mensen die met
hun handen werken.
Noemt u eens een paar belangrijke uitvinders van de
laatste honderd jaar? Waarschijnlijk komt u met Edison
en Bell aanzetten. Maar dan ziet u wel de meest geniale
over het hoofd. Ik heb het over Nicola Tesla (1856-1943),
een in Kroatië geboren Serviër, die het grootste gedeelte
van zijn leven heeft doorgebracht in de Verenigde Staten.
De figuur van Nicola Tesla is herontdekt, niet door
de wetenschap of het grote publiek, maar door New Age
kringen. De belangstelling van deze zachte sector voor
Tesla maakt een eventuele herwaardering door de wetenschappelijke
gemeenschap van deze uitvinder bij voorbaat kansloos.
De uitspraken en ideeën van Tesla zijn ook zo controversieel
dat het voor een wetenschapper wel heel moeilijk wordt
om hem serieus te nemen. Nicola verklaarde met Mars
te kunnen communiceren en hij beweerde ook buitenaardse
signalen te hebben ontvangen.
Tesla kreeg een patent toegewezen waarin sprake is
van een ideale energiebron, die gebaseerd was op het
omzetten van stralingsenergie - van zonnestralen of
kosmische stralen - in mechanische energie. De hele
wereld zou voor eeuwig en altijd gratis energie kunnen
putten uit deze zonnecel. Deze gepatenteerde vinding
is in strijd met vele wetten van de natuurkunde.
Tesla-vereerders organiseren regelmatig conferenties
waarin wordt gesproken over een wereldwijd komplot:
De CIA en de grote oliemaatschappijen zouden tot op
de dag van vandaag het ontwikkelen van de energiebron
van Tesla tegenhouden omdat het de wortels van de kapitalistische
maatschappij zou aantasten.
Tesla zei te beschikken over een allesdodende straal.
Bij de dood van Tesla zou de CIA zijn kluis, die gevuld
was met schema's van uitvindingen, leeggehaald hebben
om te voorkomen dat de dodende straal in handen zou
vallen van een vreemde mogendheid. Met een andere uitvinding
van Tesla zou het weer kunnen worden beïnvloed. Uitvindingen
van Tesla die kunnen worden gebruikt om menselijke organen
elektrisch te stimuleren, zijn populair in de alternatieve
geneeskunde.
Een wetenschapper die deze feiten onder ogen krijgt,
haalt meteen zijn neus op voor zo'n kwakzalver. Maar
Tesla was ontegenzeglijk een genie. Hij was de uitvinder
van de wisselstroom, in die tijd ook wel teslastroom
genoemd. Edison organiseerde een hetze in de media om
de invoering van de wisselstroom tegen te houden. Dankzij
de steun van de grootindustrieel George Westinghouse
slaagde Tesla er toch in de maatschappij voor zijn vindingen
te winnen. Toen voor het eerst in de VS de doodstraf
werd uitgevoerd met de elektrische stoel, hetgeen gebeurde
met wisselstroom, zei Edison dat de misdadiger 'gewestinghoused'
was.
Wisselstroom bleek zoveel voordelen te hebben boven
gelijkstroom dat de gehele wereld snel en voor altijd
overstapte op wisselstroom, daartoe in staat gesteld
door de wisselstroomuitvindingen van Tesla. Tesla vond
ook de tesla-spoel uit. Met die spoel kunnen hoogfrequente
spanningen van miljoenen volts worden gegenereerd die
tamelijk ongevaarlijk zijn voor de mens. Zo'n spoel
zit in elke radio en tv. Tesla kon met deze spoel lampen
laten branden waar geen draad aan zat.
Nicola was zijn tijd ver vooruit. Hij was bezig met
radio voordat Marconi dat deed. Hij was de uitvinder
van afstandsbediening (teleautomatica zoals hij het
noemde). Toen de mensen niet geloofden dat dit mogelijk
was, demonstreerde hij dit principe voor een grote mensenmassa
bij een Wereldtentoonstelling door een boot op afstand
te besturen in een vijver in Madison Square Garden.
Hij was gefascineerd door het verschijnsel van resonantie.
Hij bouwde vibrators die trillingen veroorzaakten die
wolkenkrabbers op de rand van instorten brachten.
De uitvindingen van Tesla worden overal toegepast,
maar zijn naam wordt er nooit bij vermeld. Het enige
dat nog van hem overblijft in de wetenschap is de eenheid
van sterkte van magneetveld die naar hem is genoemd:
de tesla. Maar geen wetenschapper of ingenieur die nog
het verband kent tussen de eenheid tesla en de uitvinder
Tesla.
Nu de maatschappij het belang van toepassingen van
wetenschap hoog in het vaandel heeft geschreven, zullen
de briljante uitvinders wel een herwaardering ondergaan.
Maar ik vrees dat men Nicola Tesla wel zal overslaan.
terug naar index

Klimaat
en Popper
Het was spannend tot op het laatste moment. Wat zouden
de vertegenwoordigers van Nigeria en Koeweit doen? Gelukkig
stemden ook zij in met het afgezwakte eindrapport van
het IPCC (Intergovernmental Panel for Climate Change).
De uitkomst werd triomfantelijk rondgetetterd door alle
nieuwsdiensten: het bestaan van het broeikaseffect was
wetenschappelijk en
onomstotelijk
aangetoond.
Het IPCC is een dochter-organisatie van de Verenigde
Naties. Niet alleen voor politici maar ook voor wobo's
- bonzen van organisaties voor wetenschappelijk onderzoek
- is het IPCC een lichtend voorbeeld van hoe wetenschappelijk
onderzoek georganiseerd zou moeten worden. Met zijn
allen praten over een wetenschappelijk probleem totdat
er consensus is bereikt. Kan men niet tot overeenstemming
komen, dan wordt er eerst nog gestemd en daarna is het
probleem opgelost. De media nemen klakkeloos de conclusies
over. Geleerden van buiten de wereldwijde organisatie
die blijven tegenstribbelen kunnen als querulanten te
kijk worden gezet.
De wobo's krijgen steeds meer invloed in de wetenschap.
Wobo's zijn gemakkelijk te herkennen. Ze hebben allang
opgegeven om nog wetenschappelijke prestaties te leveren.
Dat is veel te moeilijk voor ze. Macht veroveren is
het enige wat voor wobo's overblijft. Wobo's spelen
de baas over die eigenzinnige wetenschappers. Ze vertegenwoordigen
de wetenschappers in de buitenwereld. Wobo's houden
van planning van wetenschappelijk onderzoek. Wobo's
houden van consensus. Wobo's houden van vergaderingen.
Ze kunnen ook uitstekend vergaderen. Wobo's houden van
wetenschappelijke samenwerkingen. Wobo's en politici
vinden dat wetenschappers veel meer zouden moeten samenwerken.
Hun argumentatie lijkt waterdicht. Het financieel ondersteunen
van twee wetenschappelijk groepen die precies hetzelfde
wetenschappelijke doel najagen, is geldverspilling.
Eén groep is toch genoeg. In het belang van de belastingbetaler
moeten elkaar beconcurrerende groepen gedwongen worden
om samen te werken. Er zijn dan minder investeringen
en minder wetenschappers nodig. Des te meer groepen
meedoen aan een samenwerking des te beter. Het toppunt
van efficiëntie is één wereldwijde samenwerking.
Maar die redenering gaat mank. Wetenschappers moeten
niet per definitie tot in het oneindige proberen samen
te werken en consensus te zoeken. Wetenschap is geen
politiek. Consensus is de dood voor wetenschap. Er moet
altijd strijd blijven. Wetenschappers moeten mede gemotiveerd
worden door de drang om andere wetenschappers af te
troeven. In de wetenschap is gebleken dat dat de enige
manier is om achter de waarheid te komen.
Een mooi voorbeeld van waar samenwerking tot besparingen
zou kunnen leiden, lijkt de hoge-energiefysica. In het
Fermi-lab bij Chicago jagen twee geheel onafhankelijke
groepen, elk bestaande uit honderden wetenschappers,
precies hetzelfde doel na: het ontdekken van de topquark.
Het zou voor de hand liggen om die twee groepen te halveren
en ze intensief te laten samenwerken. Maar de Amerikanen
laten die twee groepen juist concurreren teneinde onafhankelijke
wetenschappelijke gegevens boven tafel te krijgen
en de wetenschappelijke waarheid te ontdekken. De Amerikanen
willen voorkomen dat een groep een monopolie zou krijgen
en dat er dan gestemd zou gaan worden of het topquark
nu wel of niet ontdekt is.
Grote wetenschappelijke samenwerkingen leiden tot grote
bureaucratie en tot veel vergaderingen, allebei trouwens
specialismen van de VN. Bij de laatste Vergadering voor
Sociale Ontwikkeling van de VN in Kopenhagen waren er
4000 escort-dames nodig om de vergaderaars door de eenzame
uren heen te helpen en ook voor dit logistieke hoogstandje
kon de VN zorgen. De IPCC-vergaderingen zullen wel goed
verzorgd worden door de VN.
Ik heb iets tegen het IPCC. Zoals elk adviserend lichaam
met een monopoliepositie zal het met alle middelen trachten
zichzelf in stand te houden. De opzet van het IPCC is
van dien aard dat een aanval op zijn wetenschappelijke
conclusies een wetenschappelijke zelfmoord inhoudt.
Toch zijn die aanvallen hard nodig. Zoals de filosoof
Popper ons heeft geleerd, moet een hypothese worden
aangevallen. Moet een hypothese zelfs vaak worden aangevallen.
Door onafhankelijke wetenschappers. De wetenschap is
gediend met slimme dwarsliggers. De waarheid kan niet
worden vastgesteld door de inquisitie.
Als je echt iets over het klimaat te weten wilt komen,
zul je ook wetenschappers geld moeten geven om buiten
IPCC-verband om het klimaat te bestuderen. Welk koninklijk
meteorologisch instituut durft het aan om te proberen
de conclusies van het IPCC onderuit te halen? In naam
van de wetenschap.
terug naar index
|