Complex Photonic Systems
People > Ad Lagendijk > Popularized Publications (Dutch) > Volkskrant Columns 1995

Universiteit Twente
Home

Research

Output

People
Senior Scientists
Post Docs
Junior Scientists
Students
Staff
Alumni

Onderwijs



Nederlands

Sitemap

Search

Print this page


Volkskrant Columns 1995
Klik op een jaartal om de columns van een ander jaar te bekijken:
2004 | 2003 | 2002 | 2001 | 2000 | 1999
1998 | 1997 | 1996 | 1995 | 1994 | 1993

Columns van Ad Lagendijk
gepubliceerd in de wetenschap bijlage van de Volkskrant in 1995

De column verschijnt één keer per veertien dagen. De wetenschapbijlage van de Volkskrant is een onderdeel van de zaterdagkrant van de Volkskrant.

Copyright bij auteur. Voor gehele of gedeeltelijke overname is toestemming van de auteur vereist.



Titel van column

Gepubliceerd op:

Het matras-effect
ZOAB-opera's
Papa's syndroom
Ingenieurs slaan terug
Beschaving
Tijdreizigers
De kat is dood
Managerziekte
Hollywood
Het net
Vijfde Colonne
Kippegaas
Aziatische tijgers
Groene vrede
Ijdelheid
Komkommer
Voorlichting
Human interest
Luizenplaag
Bewustzijn
ET en zijn makkers
File-theorie
Servisch genie
Klimaat en Popper

07-01-1995
21-01-1995
04-02-1995
18-02-1995
04-03-1995
18-03-1995
01-04-1995
15-04-1995
29-04-1995
13-04-1995
27-05-1995
10-06-1995
24-06-1995
15-07-1995
12-08-1995
02-09-1995
16-09-1995
30-09-1995
14-10-1995
28-10-1995
11-11-1995
25-11-1995
09-12-1995
30-12-1995





Ritzen treedt terug
Het kabinet houdt de burgers van dit land regelmatig voor dat de regering aanhanger is van het principe van een terugtredende overheid. De praktijk is in ieder geval anders op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. De directeur wetenschapsbeleid kondigde een paar weken gelden aan dat het ministerie het gedrag van onderzoekers in Nederland niet langer kan tolereren. De topambtenaren gaan de onderzoekers dwingen om hun onderzoek om te buigen in een richting die voor de maatschappij van meer nut zal zijn.

Tijdens de besprekingen over het regeerakkoord van het paarse kabinet waren alle onderhandelaars van mening dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen flink zou moeten inleveren. Vooral de universiteiten moesten het ontgelden. Enkele van de stuitende 'vingeroefeningen' van topambtenaren werden naar buiten gelekt om de maatschappelijke weerstand in te schatten.

Het kakelende kamerlid Rick van der Ploeg dacht loyaal mee en wilde een kip met gouden eieren slachten. Hij kwam met de belachelijk suggestie om de sterrenkunde in Nederland af te slanken en te concentreren. De Nederlandse sterrenkunde behoort tot de wereldtop, iets wat niet van de economie van Van der Ploeg en de zijnen gezegd kan worden. De uit paarse bezuinigingswoede voortgekomen maatregelen worden laf verkocht als operaties die dienen om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen.

Ritzen heeft aangekondigd dat hij een brede maatschappelijke discussie wil over de toekomst van Nederland als kennisland. Of we even allemaal willen meedoen met hem gratis advies en steun te geven. Wat hij er vergat bij te zeggen is dat hij alleen raadgevingen wenst te ontvangen die een ondersteuning vormen van zijn eigen ideeën.

Op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen vinden ze dat het kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek en onderwijs voortdurend moet worden gecontroleerd. Hiervoor worden commissies ingesteld: vijf tot tien uitverkoren 'verkenners' mogen een 'verkenningscommissie' vormen. Zo'n commissie dient een uitvoerig rapport op te stellen. Het schrijven hiervan is een enorme klus. De minister houdt gewoon een aantal eminente geleerden maandenlang af van hun werk zonder hen er iets voor te betalen. .

Onlangs werd ten behoeve van de minister het wetenschappelijke onderwijs in de natuur- en sterrenkunde onder auspiciën van de VSNU (Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten) doorgelicht. De visitatie werd door de negen faculteiten goed voorbereid. Ze waren maanden bezig om het benodigde cijfermateriaal te vergaren. Nog veel meer werk werd verzet door de leden van de commissie. Met o.a. intensieve bezoeken aan alle faculteiten. .

De minister zal wel blij geweest zijn met het gedegen rapport van de commissie, zou je denken. Mooi niet. De leden van de verkenningscommissie hadden namelijk verzuimd van te voren aan Ritzen te vragen met wat voor conclusies ze zouden moeten komen in hun eindrapport. De commissieleden waren zo dom om hun eigen verstand te gebruiken en een onafhankelijk eindoordeel te geven. .

Een van belangrijkste conclusies van deze verkenningscommissie was dat er geen verschil is tussen de opleidingen aan de gewone universiteiten en die aan de technische universiteiten. De cursusduur aan de technische universiteiten is vijf jaar en die aan de gewone is vier jaar. Op beide type instellingen doen de studenten gemiddeld vijf en een half jaar over hun studie. Geen student ziet kans om in vier jaar af te studeren. De verkenningscommisie adviseerde om de cursusduur van de opleiding natuurkunde aan de gewone universiteiten ook te brengen op vijf jaar.

Dit advies sloeg in Zoetermeer in als een bom. Als natuurkunde vijf jaar zou krijgen, zou dat ook moeten gelden voor scheikunde en wiskunde. Wat deed de minister met het rapport van de verkenningscommissie voor het onderwijs in de natuur- en sterrenkunde? Hij heeft iets gedaan wat niet geen zinnig mens kan bedenken: Hij heeft het rapport 'afgekeurd'.

Nederland wil kennisland worden met goede technische opleidingen, maar het moet niets kosten. Trouwens voor de meeste problemen die op ons af komen, vindt de overheid pragmatische oplossingen, waar geen geleerden voor nodig zijn en waar ook geen geleerde op zou zijn gekomen. Het fileprobleem bijv. lossen we op door de vluchtstrook af te schaffen. Vluchten kan niet meer.

Ik hoop dat geen wetenschapper zich nog laat lenen voor een verkenningscommissie voor deze minister. Behalve als er een verkenningscommisie zou komen die de kwaliteit van zijn ministerie zou moeten onderzoeken. Ik ben bereid om al mijn taken voor lange tijd aan de kant te zetten om in die commissie zitting te nemen.

terug naar index




Het matras-effect
Iedereen kent wel enkele van de Grote Vragen. Heel bekend zijn: Hoe is het allemaal begonnen? en: Wat is bewustzijn? Mensen die beweren een antwoord te hebben op een Grote Vraag, kunnen rekenen op veel aandacht. Hoe onzinnig hun antwoord ook is.

De verleiding om het publiek voor te liegen over de beantwoording van de Grote Vragen is groot, ook voor een wetenschapper. Zo'n onderzoeker wordt ziener en mag aanschuiven bij het oeverloze geouwehoer over hoe alles met alles samenhangt.

Natuurwetenschappers houden zich in hun werk niet bezig met grote verbanden en zeker niet met Grote Vragen. Zij onderzoeken een klein gebiedje. Ze kunnen ze zich niet permitteren om zich te laten afleiden door wat daarbuiten gebeurt. De onderzoekers kunnen enthousiast over hun vorderingen praten, maar de buitenwereld vindt dat gespit op de vierkante millimeter ongenietbaar.

Zijn er dan tegenwoordig geen gemeenschappelijke principes meer te onderkennen in het geheel van de wetenschappen? Dergelijke begrippen zouden juist wel op de belangstelling van de buitenwereld kunnen rekenen. Die gemeenschappelijke principes zijn er wel degelijk. Ik zal een van de belangrijkste zo noemen. In dit begrip speelt een zeeman een centrale rol. Dat hoeft ons niet te verbazen. Het waren zeelieden van de grote vaart die aantoonden dat de aarde niet plat was. De zeeman is altijd een bron van inspiratie geweest voor de wetenschap.

Het principe dat ik op het oog heb, is de 'wandeling van de dronken zeeman'. Ook 'willekeurige wandeling' genoemd. De naamgeving stamt van het begin van deze eeuw, maar gelijksoortige ideeën werden al veel eerder gebruikt, bijv. door Christiaan Huygens. Wat behelst dit grandioze idee?

Een zatte zeeman komt uit een café en gaat op weg naar huis. Hij loopt in het wilde weg. Hij maakt (ongeveer) even grote stappen in steeds een willekeurige richting. Waar zal hij zich bevinden na een bepaald aantal stappen? Hier moeten we de kansberekening op los laten: Wat is de kans dat de dronken zeeman zich na zoveel stappen op die bepaalde plek zal bevinden? De oplossing van dit probleem is in elk goed natuurkundeboek te vinden (bijv. in The Feynman Lectures on Physics, Addison-Wesley ).

De wandeling van de zeeman vindt plaats in twee dimensies (in de lengte en in de breedte). Deze gang kan uitgebreid worden naar drie dimensies: een wandeling van een dronken ruimtewandelaar met ook stappen naar boven en beneden toegestaan. De wandeling van de dronken zeeman wordt dagelijks gebruikt in de wiskunde, natuurkunde, scheikunde en biologie, en zelfs daarbuiten.

Een concrete toepassing: Licht plant zich als een dronkeman voort door een wolk, van waterdruppel naar waterdruppel. Andere praktische voorbeelden: De verspreiding van een druppel limonade in een glas water. De geleiding van elektrische stroom door materialen. De geleiding van warmte door gassen, vloeistoffen en vaste stoffen. Het verlopen van een chemische reactie. De vorm van een polymeer. Bij de verklaring van deze verschijnselen staat de wandeling van de dronken zeeman centraal.

Uit het bovenstaande blijkt hoe inspirerend het leven van een zeeman kan werken. Ik geef nog een voorbeeld met een zeeman. Alleen is hij deze keer niet dronken.

In de natuur blijkt dat deeltjes elkaar soms aantrekken, terwijl ze volgens de geldende theorie elkaar zouden moeten afstoten. Deze omslag is een belangrijk onderdeel van het verschijnsel supergeleiding. Supergeleiding houdt in dat elektriciteit stroomt zonder energie te verliezen. Toepassing van dit effect zou een fikse daling van het elektriciteitsverbruik inhouden. Supergeleiding blijkt pas op te treden als elektronen, die elkaar onder normale omstandigheden afstoten, elkaar plotseling blijken aan te trekken. Hoe kan dat?

Hier komt de zeeman weer. Deze keer is hij getrouwd. Op een avond komt hij thuis van een lange zeereis, een paar dagen eerder dan verwacht. Hij heeft zich dagen niet geschoren en gewassen. Zijn dagelijkse menu bestond uit haring met uien. Bij zijn aankomst heeft zijn vrouw de krulspelden nog in. Zij vinden elkaar afstotend. Eenmaal in bed, proberen ze zover mogelijk uit elkaar te gaan liggen. Dat is het model voor afstoting.

Maar de zeeman is zwaarlijvig. Als hij in bed ligt, ontstaat een grote kuil in het matras. Ondanks de afkeer voor haar man rolt de vrouw in de kuil en eindigt in zijn armen: aantrekking door het matras-effect.

Met voorbeelden uit het leven gegrepen, kan je principes uit de wetenschap glashelder demonstreren. De voorbeelden die ik gegeven zullen wel niet politiek correct zijn, maar dat zal mij een zorg zijn.

terug naar index




ZOAB opera's
Tot ieders verbazing heeft de winter toegeslagen in de maand december. Ontelbare regionale, maar ook de landelijke radiostations raakten er niet over uitgepraat. De ellende was er dan ook naar. Arme Nederlandse toeristen zaten dagenlang vast in het Oostenrijkse Lech. Maar ook in eigen land werd de mobiliteit bedreigd.

Welk natuurverschijnsel was verantwoordelijk voor de grote overlast en schade? Het bleek dat als de temperatuur tot beneden het nulpunt daalt, waterdruppels veranderen in sneeuwkristallen en wateroppervlakken in ijs. En ijs is glad. Vooral van deze laatste boodschap werd de nieuwswaarde hoog ingeschat.

In geen van de programma's werd uitgelegd wat de functie van het strooien met zout is. Waarschijnlijk kwam dit door tijdgebrek. Avro's Radiojournaal moest bijvoorbeeld ook nog tijd inruimen voor informatie over een andere menselijke beproeving. Er werd een reportage van een conferentie over reïncarnatie uitgezonden. Op die samenkomst deden mensen verslag van hun vorig leven op het verzonken mythologische eiland Atlantis.

Hoe het strooien met zout werkt? Als je in water een kleine hoeveelheid van een andere stof - zoals zout of suiker - oplost, wordt het vriespunt van de oplossing lager dan die van zuiver water. Bij de combinatie van water en keukenzout kan het vriespunt dalen tot 21 graden onder nul. Zo koud wordt het bij ons niet. Dit betekent dat de zout-ijscombinatie altijd een lager vriespunt heeft dan de heersende temperatuur, zodat ijs op de weg gaat smelten als er zout op gestrooid wordt.

Waarom het vriespunt daalt? Bij de overgang van vloeibaar water naar vast water (ijs) wordt de orde hersteld. De waterdeeltjes mogen in het ijs niet meer door elkaar heen lopen, maar moeten op een vaste plaats gaan zitten. Door de aanwezigheid van de vreemde zoutdeeltjes is het echter veel moeilijker geworden om de orde te handhaven. Dat lukt dan ook niet meer bij een temperatuur van nul graden. Als je toch alle deeltjes in het gelid wilt krijgen, moet je grovere middelen gebruiken. Dat middel is de temperatuur verlagen: het geheel bevriest bij een lagere temperatuur.

Het vroor in ons land, en er werd met zout gestrooid. Toch bleven de snelwegen glad. Wie was de schuldige? Op die vraag wilde het volk en de volksvertegenwoordiging antwoord hebben.

De ingenieurs van Rijkswaterstaat hadden gefaald. De wegenbouwers hadden 'nieuwe materialen' toegepast. Dat kan je ze niet kwalijk nemen. Wie kan het zich in deze tijd nog permitteren door te gaan met het gebruiken van oude materialen? Het wegdek moest worden gemoderniseerd. Het ZOAB, het Zeer Open Asfalt Beton, werd ingevoerd. Dit nieuwe materiaal dempt het autogeluid goed en regenwater wordt er snel door afgevoerd.

Asfalt met gaten. Briljant, maar niet origineel. Bewoners van Amsterdam zijn al jaren gewend aan het verschijnsel van de ZOB, de Zeer Open Bestrating: een wegdek vol met gaten. De ervaring in Amsterdam leert echter dat, in tegenstelling tot wat van het ZOAB beweerd wordt, het water juist blijft staan in die gaten.

Bij ijzel zijn er problemen met ZOAB. Al het gestrooide zout komt in de gaten en er blijft niets op de bovenkant liggen. IJs dat zich afzet op deze bovenkant smelt niet en zorgt voor een gladde weg. Verder bevindt zich ijs in de gaten van de weg. Dit ijs smelt te langzaam omdat het niet efficiënt gemengd wordt met zout. Dit smelten gaat sneller op tradioneel asfalt omdat op het dichte wegdek verkeer ervoor zorgt dat ijs en zout goed gemengd worden.

De wegenbouwers hebben zich geërgerd aan de klagende automobilisten, want hun ZOAB deugt wel, maar: 'de mensen willen hun rijstijl niet meer aanpassen'. Dat hadden ze kunnen weten. Dit is de tijd van de individualisering. Aanpassen aan de natuur doet de consument niet. De natuur dient zich aan ons aan te passen. Zo niet, dan moet de natuur ook de 'gesel van de markt' maar eens voelen.

Genoeg over deze ZOAB opera. Soap-opera's en zeepbellen, dat is wat media en volksvertegenwoordigers ons brengen. Van nature zijn zeepbellen en zeepfilms fascinerend. Zeepbellen kunnen alle kleuren van de regenboog vertonen. Ze kunnen zo uit elkaar spatten. De studie van de vorm van zeepfilms heeft geleid tot belangrijke ontwikkelingen in de meetkunde. Veel grote geleerden hebben in het verleden bijgedragen aan de kennis van zeep. De zeepindustrie heeft veel geld verdiend door deze kennis toe te passen. Met dat geld heeft die industrie draken van tv-programma's gesponsord: de soap-opera's.

Zo ontkomt uiteindelijk geen enkele prachtige uitvinding aan de verzeping. Boekdrukkunst, radio, tv, en telefoon. Het is allemaal soap. Soms zou je een ontdekking wel weer ongedaan willen maken. Of zoals de Engelsen het zo mooi zeggen: 'uninvent the wheel'.

terug naar index




Papa's syndroom
Gedurende zijn hele leven streeft een geleerde ernaar om een ontdekking te doen. Bij succes zal de mensheid de weldoener belonen met eeuwige roem. Deze zucht naar glorie van wetenschappers getuigt van wereldvreemdheid. Roem vergaren in de wetenschap is zo goed als onmogelijk. Gedurende de laatste twee duizend jaar is het slechts twee natuurkundigen gelukt met hun wetenschappelijke prestaties in de geschiedenisboeken te komen: Isaac Newton en Albert Einstein.

In deze postmoderne tijd lijkt het beeld nog somberder: Volgens spraakmakende zwartkijkers is het einde van de natuurwetenschap bereikt. Het feest is voorbij. Alle fundamentele ontdekkingen zijn gedaan in de natuurwetenschappen. Beroemd worden met een wetenschappelijke prestatie is nu helemaal niet meer mogelijk. Einstein was de laatste grote geleerde. Op de bazaar is de grabbelton met ontdekkingen leeg. In het begin van deze eeuw graaide Niels Bohr er de laatste troostprijs uit. Op is op.

De stelling dat Einstein de laatste grote geleerde was, zal ferm worden tegengesproken door kenners van de Oudheid. De classici zullen volhouden dat er na het gedicht 'De Rerum Natura' van Lucretius (99-55 v.Chr) eigenlijk niets meer van betekenis is gedaan in de natuurwetenschap.

Ook zullen er filosofen zijn die de stelling dat de wetenschap nu echt afgelopen is, weerspreken. Volgens hen is het namelijk nog nooit begonnen: Een mens kan helemaal niets ontdekken, want alles is er al.

Maar ook de meeste natuurwetenschappers vinden het nonsens om te beweren dat de tijd van de grote ontdekkingen in de natuurwetenschap voorbij is. Wie zijn dan eigenlijk die enkele kortzichtige onderzoekers die verklaren dat de gehele natuurwetenschap, of een groot deel ervan, af zou zijn.

Meestal betreft het een geleerde die zelf in het verleden een magistrale prestatie heeft geleverd. Deze papa vindt dat dank zij zijn bijdragen het gebied helemaal begrepen is. Papa geniet van zijn status en rust op zijn lauweren. Maar potverdorie, zijn partijtje wordt wreed verstoord door de volgende generatie jonge honden. Deze komen met afwijkende ideeën en tonen geen respect voor Papa.

Papa wordt er ziek van. Hij gaat als voorbeeldig lid van de gevestigde orde de nieuwe prestaties bagatelliseren. Papa veroordeelt de nieuwe ideeën op niet-wetenschappelijke gronden: de nieuwe theorie is te wiskundig, te prematuur, niet mooi. Deze papa's zijn niet gevaarlijk voor de wetenschap. Zij worden weggezuiverd door de dictatuur van de waarheid.

Veel gevaarlijker wordt het als bestuurders die als taak hebben fundamenteel wetenschappelijk onderzoek te stimuleren, verklaren dat alle grote ontdekkingen in de wetenschap reeds gedaan zijn. Welke bestuurder durft zulke kletskoek te verkopen? Borgman durft dat, in een recent interview ( Vrij Nederland van 7 januari).

Borgman is niet zo maar iemand. De hooggeleerde Borgman was tot 1 januari de machtigste man van Nederland op het gebied van fundamenteel onderzoek. Hij was zes jaar lang voorzitter van NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek). Volgens Borgman hebben we ook geen behoefte meer aan nieuwe ontdekkingen. Het wordt tijd dat we met vereende krachten gaan werken aan de toepassingen van de wetenschap.

Volgens Borgman zijn er de laatste dertig jaar geen grote ontdekkingen meer gedaan. Zulke praat getuigt van onbegrip van het karakter van natuurwetenschap. Ik zal een van de vele grote ontdekkingen aangeven. In de natuurkunde is het van essentieel belang te begrijpen hoe, uitgaande van individuele bouwstenen, collectief gedrag tot stand komt. Al generaties lang bijten onderzoekers hun tanden stuk op deze gezamenlijkheid. Bij de studie van een bepaald soort collectief gedrag, de faseovergang, is er de afgelopen dertig jaar sprake van een doorbraak.

De overgang van een vloeistof naar damp is een voorbeeld van een faseovergang. In het geval van de overgang vloeistof-damp besluiten ontelbare aantallen deeltjes (moleculen) om tegelijkertijd de vloeistof te verlaten en te gaan genieten van de vrijheid van de damp. Duidelijk een vorm van massahysterie.

Dankzij mensen als Lev Landau (Nobelprijs 1962), Lars Onsager (Nobelprijs 1968) en Kenneth Wilson (Nobelprijs 1982) begrijpen we faseovergangen tegenwoordig. Dat noem ik een grote ontdekking. Voor de wetenschap belangrijker dan de algemene relativiteitstheorie van Einstein.

Als ik op de laboratoria om mij heen kijk, zie ik de bloem van de natie. Nieuwsgierige en leergierige studenten. Met in hun ogen een vuur dat zich niet laat blussen. Door geen enkele zure papa.

terug naar index




Ingenieurs slaan terug
Onder mijn beste vrienden bevinden zich ingenieurs. In mijn eigen groep bevinden zich ingenieurs. Kortom: ik heb niks tegen ingenieurs. Toch voelen ingenieurs en hun medestanders zich verongelijkt door mijn columns. Hun reacties dienen besproken te worden. Vandaag dan.

Mijn column Puin ruimen over Lawandy heeft de meeste irritatie veroorzaakt bij de ingenieurs. Deze onderzoeker is werkzaam op de faculteit voor ingenieurswetenschappen van een Amerikaanse universiteit. Ik schreef dat een recent wetenschappelijk artikel van zijn groep in het tijdschrift Nature geknoei was.

De auteurs van dat bewuste artikel claimden met veel tamtam dat zij een nieuwe lichtbron, een goedkope laser, ontdekt hadden. Na een herhaling van deze experimenten onzerzijds bleek dat er van deze claim niets overbleef. Ik kondigde aan dat ons commentaar op dat artikel binnenkort in Nature zou verschijnen. De meeste arbeid bij onze schoonmaakactie is trouwens verzet door mijn collega's Diederik Wiersma en Meint van Albada.

De ingenieurs die Puin ruimen hadden gelezen, hebben de laatste twee maanden elke uitgave van het weekblad Nature nauwkeurig bekeken, om te controleren of ik de waarheid had gesproken. Voor een aantal van hen zal het de eerste keer zijn dat ze dit tijdschrift ingekeken hebben. Twee weken geleden is onze kritische reactie in Nature verschenen. Wat blijkt? Lawandy mocht van Nature een weerwoord publiceren, dat direct achter onze kritiek werd geplaatst. Hierin geeft hij zijn fouten niet toe. Wie heeft er gelijk?

De eerste versie van het repliek van Lawandy had de redactie van Nature aan ons laten lezen. Die was lang en bevatte de resultaten van een nieuw experiment. Zijn eerdere experimenten waren blijkbaar toch niet overtuigend genoeg. Dit nieuwe experiment hebben we ook afgeschoten. Na kennis genomen te hebben van deze nieuwe kritiek van ons trok Lawandy deze versie van zijn weerwoord in.

In het korte, werkelijk gepubliceerde weerwoord, komt hij met weer een nieuw experiment, deze keer veel minder spectaculair. Dit weerwoord hadden wij niet vooraf te zien gekregen. De laatste zin ervan is een lachertje. Daarin benadrukt Lawandy dat een bepaald experiment van ons fout is omdat ons resultaat verschilt van zijn resultaat. In werkelijkheid is het verschil terug te brengen tot het gebruik van een andere lichtdetector, zoals wij heel duidelijk hadden aangegeven in ons commentaar.

Lawandy is vaker, door anderen, publiekelijk beschuldigd van geknoei. De heren ingenieurs kunnen overigens gerust zijn: Lawandy is geen ingenieur. Ik heb alleen geschreven dat hij bij de ingenieurswetenschappen werkt. Hij is natuurkundige.

Waar ik mij tegen verzette in de desbetreffende column, is het hysterische belang dat tegenwoordig gehecht wordt aan toegepast onderzoek. Deze uitwas wordt gesymboliseerd door de opkomst van de ingenieurs in wetenschappelijk onderzoek.

Het probleem met ingenieurs is hetzelfde als met Duitsers: Hun gevoel voor humor is ver te zoeken. Op een enkele uitzondering na. Bijvoorbeeld Dr Ir Van Deventer. Hij heeft mij zijn dikke proefschrift toegestuurd over telecommunicatie. Ir Van Deventer daagt mij uit om aan te geven waar precies in zijn proefschrift de wetenschappelijke 'troep' staat, die ingenieurs volgens mij zouden produceren. U begrijpt dat ik daar nog wel even mee bezig ben.

Er was ook een reactie van een collega-columnist. Op zulke aanvallen reageer ik met tegenzin. Ik wil vermijden lid te worden van de correspondentie-club waarvan de leden elkaar over de hoofden van de lezers lastig vallen op de verschillende opiniepagina's van dag- en weekbladen. Aansluiting zoeken bij die club is wel verleidelijk. Nooit meer nadenken over een onderwerp voor een volgende column. Gewoon reageren op de reacties van anderen.

Maar vandaag maak ik voor Hans Achterhuis een uitzondering op mijn principe. Achterhuis is filosoof op een ingenieurschool. Ethische kwesties over leven en dood en de techniek zijn enkele van zijn vele specialiteiten. Hij is columnist van De Ingenieur . Achterhuis heeft zich opgewonden over mijn column Stop de ingenieurs

De redenering van Achterhuis is als volgt: 'Uw column gaat over toegepast onderzoek, maar in werkelijkheid bedoelt u iets geheel anders. U ergert zich namelijk aan het feit dat de technische universiteiten toestemming hebben gekregen om de studieduur voor technische studies te verlengen met een jaar.' Vervolgens gaat Achterhuis te keer tegen dingen die ik helemaal niet gezegd heb. Misschien is het voor Achterhuis moeilijk te vatten, maar het is mijn gewoonte om te zeggen wat ik bedoel.

terug naar index




Beschaving
De universiteiten liggen onder vuur. Meestal betreft de kritiek het onderwijs. Maar ook het universitaire onderzoek moet het ontgelden Onder het mom van het algemeen belang en gesteund door het politieke klimaat worden de universiteiten geschoffeerd door de klagers. Hun klaagzang bevat de volgende simplistische elementen: Er zijn te veel universiteiten; Universiteiten zijn bureaucratische wangedrochten; De kwaliteit van het universitaire onderzoek is middelmatig.

De oplossing van de critici is eenvoudig. Het merendeel van de universiteiten zal worden gedegradeerd tot louter onderwijsinstellingen. Het wetenschappelijk onderzoek zal hun worden afgenomen. Dat onderzoek zal worden overgebracht naar kleine onafhankelijke topinstituten bevolkt met alleen maar toponderzoekers.

Toptalent moet nog wel worden opgeleid. Toptalent komt alleen tot zijn recht als het wordt opgeleid op een topopleiding, door topbegeleiders. Voor dit doel wordt een tweetal universiteiten gepromoveerd tot de status van topuniversiteit (Harvard aan de Amstel en Oxford onder de Dom). Deze topuniversiteiten mogen hun onderzoeksactiviteiten wel voortzetten.

'De kleine topinstituten dienen onder leiding te staan van een sterke man' roepen de critici. De Duitse Max-Planck-instituten staan model. Goed-georganiseerde instituten die veel geld te besteden hebben. De directeur is de baas over iedereen. Hij 'begeleidt' twintig tot dertig doctorandi die een proefschrift voorbereiden. Hij is medeauteur van alle artikelen afkomstig uit zijn instituut.

De directeur geeft alle belangrijke voordrachten over het werk dat in zijn instituut is verricht. Ik ken geen Nederlands onderzoeker die zo'n baas zou tolereren. Als de almachtige directeur van een topinstituut wetenschappelijk niet goed is, dan wordt er in zo'n instituut nog meer talent en veel geld verspild.

We hebben in Nederland in het verleden veel slechte ervaringen opgedaan met almachtige hoogleraar-directeuren van universitaire instituten. Dankzij de democratisering zijn wij daar gelukkig vanaf. Een groot gedeelte van de emigratie van Nederlandse wetenschappers had met deze feodale toestanden te maken.

Moet je toptalent eigenlijk wel concentreren? Ik denk van niet. Toptalent is vaak eigengereid en eigenwijs. Toptalent maakt ruzie met toptalent. Bernard Haitink zou als directeur van het Institut für Musikforschung als eerste Riccardo Chailly uit het instituut gooien.

Het AT&T Bell laboratorium in de Verenigde Staten was tot voor kort het beste natuurkunde laboratorium ter wereld. Was de sfeer er stimulerend? De onderzoekers gunden elkaar het licht in de ogen niet. Laboratoriumruimten gingen op slot uit angst voor concurrentie van de buurman.

Bij de discussie over de lage kwaliteit van onderwijs en onderzoek in Nederland wordt de eeuwige truc toegepast van het door elkaar halen van middelmatig en gemiddeld. De kwaliteit van een maatschappij wordt in de eerste plaats bepaald door het gemiddelde en niet door de top.

In de Verenigde Staten heb je het beste van alles. Ze hebben de beste universiteiten ter wereld. Het gemiddelde niveau is er echter abominabel. In de Verenigde Staten vind je de beste ziekenhuizen ter wereld. Tegelijkertijd is het kindersterftecijfer in de grote steden vergelijkbaar met dat van ontwikkelingslanden.

Alle Nederlandse universiteiten hebben onderzoekers in dienst die kunnen concurreren met de onderzoekers van Duitse en Amerikaanse toplocaties. Het Nederlandse gemiddelde ligt misschien lager dan dat gemiddelde van die topinstituten, maar zeker niet lager dan het gemiddelde van die landen.

De dienstverlening van de overheid is in westerse maatschappijen optimaal als de burger kan kiezen uit onafhankelijke gelijkwaardige manieren om zijn doel te bereiken. Wat we nergens kunnen gebruiken zijn monopolistische, agenda-bepalende instanties. Bestuurders daarentegen zullen altijd streven naar een monopolie-positie van hun eigen organisatie.

Ik ben tevreden met de huidige situatie. Er zijn verschillende mogelijkheden om hoger onderwijs te ontvangen. Er zijn verschillende mogelijkheden om wetenschappelijk onderzoek te doen: Op alle universiteiten en voor bepaalde onderzoeksgebieden ook bij onafhankelijke instituten. Gelukkig zijn wij in Nederland zo rijk. Het geheel houdt elkaar behoorlijk in evenwicht.

Ons grote aantal universiteiten is een vorm van beschaving. Het gemiddelde niveau van deze universiteiten is hoog. Stichting van topuniversiteiten zal leiden tot een forse daling van het gemiddelde, en tot verlies van beschaving.

terug naar index




Tijdreizigers
Velen van ons voelen regelmatig de behoefte om de dagelijkse sleur te ontvluchten. Als reactie op deze aandrang gaan we op reis, liefst naar een ver land. Maar zelfs een voetreis in de Himalaya gaat na verloop van tijd vervelen. Waarom reizen we niet, in plaats van naar een andere streek, naar een andere tijd? Tijdelijk naar de toekomst vertrekken om kennis te nemen van onze komende levensloop. Of afreizen naar het verleden om te spreken met mensen die al tijden overleden zijn.

Reizen in de tijd, dat kan toch helemaal niet? Nee, deze leuke dingen voor de mensen zijn in strijd met wetten van de natuurkunde. Natuurkundigen sluiten het reizen in de tijd uit omdat het in tegenspraak is met het principe van causaliteit: de relatie tussen oorzaak en gevolg. Het gevolg komt na de oorzaak en nooit ervoor. Bij tijdreizen wordt deze volgorde omgedraaid.

Eigenlijk leggen alle wetten van de natuurkunde vervelende beperkingen op aan ons leven. De eerste hoofdwet van de warmteleer laat niet toe dat onze auto's rijden zonder brandstof. De tweede hoofdwet sluit uit dat wij energie zouden kunnen opwekken door het huis van onze buurman af te koelen.

Die natuurwetten zijn gebaseerd op duizenden jaren waarneming. De kans is klein dat ooit zal blijken dat ze niet deugen. Toch bevrijdt de mens zich graag van deze dwangbuizen. Als deze ontstijging in werkelijkheid niet mogelijk is, dan maar in fictie. De aan ons overgeleverde mythen, sagen, en heilige boeken staan vol met schendingen van natuurwetten. Het lopen op water bijvoorbeeld is in strijd met de wet van Archimedes. Archimedes leefde van 287 tot 212 vòòr Christus. Jezus had dus op de hoogte kunnen zijn van die wet. Ook in moderne kunstuitingen komen veelvuldig overtredingen van natuurwetten voor.

Als je wat langer nadenkt, realiseer je je dat er ook prettige kanten zitten aan die strenge natuurwetten. Die causaliteit is bijvoorbeeld zo gek nog niet. Als iemand als tijdreiziger zijn eigen grootvader in diens jonge jaren om zeep zou kunnen brengen, zou hij daarmede zijn eigen geboorte kunnen verhinderen. Dit maakt duidelijk dat er iets niet deugt aan tijdreizen.

Binnen de natuurkunde voelt men er dan ook niets voor om de causaliteit over boord te zetten. In de meeste boeken over natuurkunde wordt de aanwezigheid van causaliteit niet eens behandeld: Men vindt het vanzelfsprekend. Toch zijn er gebieden in de natuurkunde waar afwezigheid van causaliteit en tijdreizen serieus worden bestudeerd.

Hoe is dat mogelijk? Zijn er dan toch natuurwetten waarin oorzaak en gevolg omgewisseld mogen worden? Als het antwoord op deze vraag ja luidt, is de beer los. Bij nee is er is geen vuiltje aan de lucht. Het antwoord van de geleerden is: Waarschijnlijk zijn alle wetten causaal, maar 100% zeker weten, doen we niet.

Waarom is het zo moeilijk om de vraag naar causaliteit voor alle natuurwetten met een duidelijk ja te beantwoorden? Dat komt door het karakter van die wetten. Je kan die wetten van de natuurkunde vergelijken met sommetjes die velen van ons op de lagere school hebben moeten maken: ingeklede vergelijkingen. Zoiets als: Wanneer je de leeftijd van de vader van Piet deelt door het huisnummer van de woning van Jan, en je deze uitkomst vermenigvuldigt met het aantal broers van Piet, krijg je het getal 27. Hoe oud is Piet? Deze ingeklede vergelijking moet je dus oplossen, uitkleden als het ware.

De natuurkundige vergelijkingen zijn ingeklede vergelijkingen van een heel ingewikkeld soort, en niemand die ze nog exact kan uitkleden. De geleerden moeten eerst allerlei, vaak oncontroleerbare, vereenvoudigingen toepassen op deze wetten voordat ze er mee kunnen werken. De uitkomst over het wel of niet aanwezig zijn van causaliteit zou wel eens ernstig kunnen worden beïnvloed door het toepassen van die grove vereenvoudigingen. Dit is de kern van het probleem. Voor een aantal wetten kan toch onomstotelijk aangetoond worden dat zij tijdreizen uitsluiten.

Maar voor de algemene relativiteitstheorie is het geen uitgemaakte kwestie. Onder geleerden woedt een discussie of tijdreizen onder bepaalde omstandigheden is toegestaan binnen deze theorie. Die omstandigheden zijn wel heel extreem en hebben betrekking op zeer zware, roterende objecten. Maar principe is principe.

Als inderdaad aangetoond kan worden dat de theorie het tijdreizen toestaat, zullen veel knappe koppen in een wanhoopsoffensief alsnog proberen de gehele theorie onderuit te halen. Als dat niet lukt, wordt de fantasie van H.G. Wells alsnog werkelijkheid en zullen een aantal ingenieurs binnenkort de opdracht krijgen om een tijdmachine te bouwen.

terug naar index




De kat is dood
Vandaag zal ik een lastig probleem uit de natuurkunde oplossen. Mijn collega's zijn nog niet op de hoogte van deze doorbraak, want ik heb mijn bevindingen nog niet gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift. Dit betekent dat u deze column voorlopig als een vertrouwelijke mededeling dient te behandelen.

De bedoelde kwestie wordt aangeduid als de kat van Schrödinger . Bij deze controverse dient de volgende vraag te worden beantwoord: Is de kat van Schrödinger dood of levend?

De paradox heeft te maken met de meest succesvolle en meest controversiële theorie die de natuurkunde heeft voortgebracht: de quantummechanica, ontdekt in de jaren twintig. Erwin Schrödinger was één van de pioniers en hij bedacht het gedachtenexperiment met de kat.

Het verschil tussen de oude theorie en de quantumtheorie is dat voor heel lichte deeltjes, zoals atomen, moleculen en lichtdeeltjes (fotonen), andere bewegingswetten gelden dan voor voorwerpen met huis-tuin-en-keuken afmetingen, zoals biljartballen. De theorie is succesvol, maar creëert ook vragen van fundamentele aard.

Wat is het probleem met de quantumtheorie? We bekijken zo'n klein deeltje. Dit deeltje bevindt zich op een startplaats met twee uitvalswegen: de A1 en de N1. Elke weg heeft zijn eigen eindpunt: Café A en Café N. Ergens tussen start- en eindpunt kruisen de A1 en de N1 elkaar. Bij deze gelijkvloerse kruising moet het deeltje kiezen hoe het zijn weg vervolgt. Het deeltje heeft geen voorkeur.

Ons deeltje heeft veel broers, allemaal gelijksoortige deeltjes, die wij één voor één bij het startpunt laten vertrekken. We registreren hoeveel van die deeltjes er in café A en hoeveel er in N arriveren. De weg vanaf startpunt tot de kruising kan via de A1 of via de N1 afgelegd worden. De uitkomst van ons experiment blijkt sterk af te hangen van het verschil in afstand tussen beide mogelijkheden. We kunnen het verschil in afstand bijvoorbeeld zo construeren dat alle deeltjes in café A aankomen. Dat is het vreemde van de quantummechanica, want je zou verwachten dat de deeltjes of de ene of de andere weg nemen, maar het is net of de deeltjes beide wegen naar het kruispunt kennen.

We willen nu wel eens weten van elk van de deeltjes hoe ze gestart zijn: op de A1 of op de N1. Daartoe zetten we voor de kruising op beide wegen een verklikker, die opflitst als een deeltje voorbij komt.

We herhalen het experiment. Weer sturen we de deeltjes één voor één op pad. Met behulp van de verklikkers kunnen we van elk deeltje exact de gevolgde route reconstrueren. Wat blijkt? Er arriveren, ongeacht het verschil in afstand tot het kruispunt, evenveel deeltjes in café A als in café N. Met het plaatsen en aflezen van onze verklikkers hebben we de deeltjes gedwongen kenbaar te maken welke weg ze gekozen hebben, en hebben we het experiment dramatisch beïnvloed.

Deze ervaring hebben we nodig bij de kat van Schrödinger. Alles speelt zich af in een grote geluid- en lichtdichte doos. Wij kunnen niet waarnemen wat er in die doos gebeurt. In de doos bevindt zich naast een kat ook een zwakke lichtbron die eens in de zoveel tijd een lichtdeeltje uitzendt. Als dit deeltje op weg gaat, komt het bij een halfdoorlatende spiegel - dat is een gewone spiegel met een ongewoon dunne zilverlaag. Er zijn voor dit deeltje twee mogelijkheden: door de spiegel heen gaan of teruggekaatst worden. Achter de spiegel bevindt zich een verklikker die afgaat als het deeltje door de spiegel komt. Deze verklikker activeert op zijn beurt een geweer dat op de kat is gericht. Als het geweer afgaat, wordt de kat gedood. Als het deeltje teruggekaatst wordt van de spiegel gebeurt er niets.

We zetten de bron aan en sluiten de doos. Na verloop van tijd zal een deeltje op pad gaan en vervolgens bij zijn eindbestemming aankomen. Het leven van de kat hangt af van welk pad het deeltje gevolgd heeft. Volgens die vreemde quantummechanica is de kat noch dood noch levend zolang wij geen waarneming hebben gedaan. Pas als wij de doos openmaken, dwingen wij het systeem kenbaar te maken welke weg het lichtdeeltje genomen heeft, en dan pas is de kat dood of is de kat levend.

Nu mijn oplossing. De voorbeelden die de vreemdheid van de quantummechanica demonstreren, hebben altijd betrekking op extreem simpele deeltjes. Deze deeltjes hebben blijkbaar nooit last van hun omgeving. De enige temperatuur waarbij je de invloed van de omgeving mag verwaarlozen, is het absolute nulpunt. Dat is 273 graden celsius onder nul. Bij elke andere temperatuur moet je de wisselwerking met de rest van de wereld in rekening brengen. Om het formalisme van de quantummechanica te mogen toepassen op de toestand van de kat moet de kat afgekoeld worden tot 273 graden onder nul. Bij die temperatuur is de kat morsdood.

terug naar index




Managerziekte
Aan de top van de wetenschappelijke hiërarchie bevindt zich de hoogleraar. In het ideale geval betreft het een actieve, ervaren onderzoeker die zijn kennis overdraagt aan junior-onderzoekers en aan studenten. De maatschappelijke status van een hoogleraar is hoog.

Hoe word je hoogleraar? Hiervoor is de doctorstitel onontbeerlijk. Dat houdt in dat je na je afstuderen verplicht bent om een aantal jaar onder het minimumloon te werken. Binnen vier jaar moet je je proefschrift hebben geschreven.

Vervolgens ga je een paar jaar bij een bekende buitenlandse wetenschappelijke instelling werken. Je komt terug als je ergens in Nederland een baan als onderzoeker kan krijgen. Je gaat je steeds meer manifesteren in het wetenschappelijk wereldje en voortdurend schrijf je je onderzoekresultaten op in wetenschappelijke artikelen. Na een aantal jaren heb je veertig, vijftig publikaties, en is de tijd rijp.

Je solliciteert naar de functie van hoogleraar. Bij je sollicitatiebrief voeg je stukken waaruit blijkt dat je een uitstekend en produktief onderzoeker bent. Je kwaliteiten als onderzoeker worden zwaar gewogen door de benoemingscommissie. Wat er ook in de advertenties staat over onderwijservaring, over leidinggevende kwaliteiten en over geslacht, de enige kwaliteit die telt bij de sollicitatie voor de functie van hoogleraar is de kwaliteit als onderzoeker.

Uit de sollicitanten wordt de beste onderzoeker gekozen. Op de universitaire faculteit is men tevreden. De faculteit is een toponderzoeker rijker. De gelukkige, angry young man is vol energie. Hij mag eindelijk zelf richting gaan geven aan het onderzoek. Hij hoeft niet meer te doen wat anderen hem vertellen.

Maar dan verandert zijn droom in een nachtmerrie. De hele omgeving van de kersverse hoogleraar spant tegen hem samen om te verhinderen dat hij gaat doen waarvoor hij is aangenomen: het verrichten van wetenschappelijk onderzoek.

Hij moet talloze aanvragen schrijven om financiële ondersteuning te verwerven voor zijn onderzoekplannen. De totale hoeveelheid geld voor wetenschappelijk onderzoek neemt eerder af dan toe. Maar het totale aantal fondsen dat dient om deze som gelds te verdelen, breidt zich sterk uit. De toenemende papierwinkel rondom deze geldpotten begint lachwekkende vormen aan te nemen. Om al deze 'geldstromen' goed te leren kennen en een beetje te kunnen aftappen, moet de nieuwe hoogleraar, tegen zijn zin, bestuurlijke functies buiten de universiteit aanvaarden.

Ook in zijn eigen faculteit rekenen vele commissies en raden op zijn inbreng. Bovendien heeft elke universitaire faculteit nog wel een of andere tijdverslindende nutteloze hobby waarbij de inbreng van toponderzoekers onmisbaar wordt geacht. Mijn eigen faculteit natuurkunde bijv. is bezig om samen te gaan met de faculteit wiskunde. De explosieve groei van bestuurlijke taken kan in de bètafaculteiten niet in verband worden gebracht met de massale toenamen van studenten. De bètafaculteiten hebben te maken met lege collegezalen en overcapaciteit.

Elke nieuwe hoogleraar wordt het bestuurlijke circuit ingezogen. Hij gaat een andere taal spreken, het managersjargon. In plaats van wetenschappelijke formules op het bord te kalken, komt hij aanzetten met organigrammen. In plaats van een wetenschappelijke grafieken met dubbel logaritmische schaal te presenteren, komt hij op de proppen met taartdiagrammen.

Hij gaat functioneringsgesprekken voeren. Hij volgt trainingsweekends. Hij gaat bedrijven bezoeken, want als zijn sociale netwerk niet deugt, krijgen zijn afgestudeerden geen baan. De junior-onderzoekers die onder zijn begeleiding een proefschrift voorbereiden, hebben weinig contact meer het hun hoogleraar.

De rol van de hoogleraar in het wetenschappelijk onderzoek is marginaal, want hij is totaal in beslag genomen door andere activiteiten. Een hoogleraar die zelf wetenschappelijk onderzoek probeert te doen is een uitzondering. Een verdachte zonderling, die voortdurend in conflict komt met zijn omgeving. Hij wil wel de lusten maar niet de lasten van het hoogleraarschap. Als hij zo hoognodig toch onderzoek wil doen, moet hij daar maar zijn vrije zaterdag of zondag voor gebruiken. Een hoogleraar moet geen specialist willen zijn, maar, om het bespottelijke jargon van beleidsmakers te gebruiken, hij moet een generalist zijn.

De universiteit van Leiden wil een elite-universiteit worden. Het enige wat ze daarvoor hoeven te doen, is hun hoogleraren te bieden waar elke onderzoeker in hart en nieren naar snakt: tijd om onderzoek te doen. De beste onderzoekers uit binnen- en buitenland zullen in de rij staan om er te mogen werken.

terug naar index




Hollywood
De mens is belust op sensatie. Kijklustige omstanders hinderen de brandweer bij het blussen van een brand. Nieuwsgierige chauffeurs veroorzaken grote files bij auto-ongelukken. Rampentoeristen rijden dijken kapot in overstroomde gebieden. Rampen, gepaard gaand met veel geweld en grote ravages, we raken er nooit op uitgekeken. De wetenschap speelt zeer slim in op deze sensatiezucht. De onderzoeker die aandacht wil tussen al het andere geweld in de media kent de truc: Stop een ramp in je verklaring, of nog beter: Stop een ramp in je voorspelling. Dit recept is beproefd en populair.

Laten we beginnen bij het begin: het ontstaan van het heelal. Volgens de thans geldende doctrine, gebaseerd op slechts twee soorten waarnemingen, zou alles met een explosie begonnen zijn: de oerknal. Stephen Spielberg had dit Hollywood-scenario kunnen bedenken. In de sterrenkunde houden ze van vuurwerk. Hun laatste uitvinding is de grootste vuurpijl aller tijden: de supernova-explosie.

Die oerknaltheorie vind ik hoogst verdacht. In kringen rond het Vaticaan wordt deze wetenschappelijke hypothese gezien als een geschenk uit de hemel. Als ik moet kiezen uit de verschillende scheppingsverhalen, gaat mijn voorkeur uit naar de theorie die zegt dat alles er altijd al geweest is.

Geen knallend vuurwerk dat het begin van de tijd aankondigt, maar een rustig voortkabbelende tijd, met eeuwig en altijd dezelfde snelheid: een seconde per seconde. Ik kan mij al verkneukelen bij de gedachte dat theologen zich in allerlei bochten zouden moeten wringen om een eeuwig bestaand heelal te moeten rijmen met het vuurwerk van Genesis.

Ook het voorspellen van het einde van de wereld kan op veel aandacht rekenen. Zeker als het met een oorverdovende knal gepaard zal gaan. Een stel maffe Amerikaanse natuurkundigen, gespecialiseerd in de bouw van kernwapens en bedreigd met werkeloosheid, hebben de mensheid gewezen op het gevaar van een inslag van een gigantische meteoriet. Deze onderzoekers stellen voor om krachtige kernwapens te ontwikkelen waarmede een op ramkoers liggende meteoriet uit zijn baan zou kunnen worden geslagen.

In tegenstelling tot rampen kan je van natuurlijke processen die tergend langzaam verlopen geen spannende film maken. Ook de kerk heeft moeite met deze trage veranderingen, want Gods hand kan hier maar moeilijk in geduid worden. De evolutie-theorie van Darwin is een voorbeeld van een theorie waarin de processen ouderwets langzaam verlopen. Deze theorie is voor de kerk altijd al een gruwel geweest, maar past nu ook niet meer in deze snelle tijd.

Elke gelegenheid die zich voordoet om een ramp in de evolutie-theorie te kunnen introduceren, zal door wetenschap en kerk gezamenlijk worden aangegrepen. De eerste resultaten zijn er al: Voor het verklaren van het uitsterven van de dinosaurussen zou Darwin te kort komen en als een deus-ex-machina wordt de inslag van een meteoriet opgevoerd. Waarom die meteoriet precies op dat tijdstip verscheen? Waarschijnlijk omdat God toen genoeg had van die dinosaurussen.

Ook de mensen die voor hun dagelijks brood afhankelijk zijn van de maatschappelijke belangstelling voor milieuverontreiniging kennen het Hollywood-scenario. In dit gebied wordt het naderende einde aangeduid met termen als 'broeikaseffect' en 'ozongat'. Het betreft een groot komplot van wetenschappers, politici en milieuactivisten. Van harte gesteund door het bedrijfsleven. De aandacht van binnenlandse en buitenlandse milieuproblemen afleiden door te wijzen op de problemen in het bovenland. Intussen gewoon doorgaan met de lokale vervuiling. Het past ook zo mooi in onze christelijke moraal van collectieve schuld. Prachtig en het kost niets.

Wetenschappers begrijpen zo weinig van de processen die zich in de atmosfeer afspelen dat ze het weer van de volgende dag niet kunnen voorspellen. En bij het broeikaseffect hebben die wetenschappers het lef om voorspellingen te doen over wat zich over tientallen jaren zal voordoen. Voorspellingen op basis van onbetrouwbare overgesimplificeerde computermodellen. In deze modellen worden talrijke onbegrepen fysische processen verwaarloosd. De atmosfeer is een zeer complex systeem. Hoe beter men het bestudeerd hoe ingewikkelder het blijkt te worden. Volgens een recent artikel in Nature zijn het broeikaseffect en het gat in de ozonlaag zelfs aan elkaar gekoppeld. We zouden vanaf nu moeten spreken van het 'ozonbroeikaseffect'.

Het ozonbroeikaseffect wordt een religie. De recente overstromingen zouden er door zijn veroorzaakt. In de Scientific American van afgelopen april wordt in alle ernst beweerd dat een wereldwijde terugloop van de populatie van kikkers te wijten is aan het ozongat. In mijn dorp kan ik 'snachts niet slapen van het gekwaak van een koor van kikkers. Zou hier sprake zijn een te hoge concentratie aan ozon?

terug naar index




Het net
Er heerst in de media een hysterische belangstelling voor de uitwisseling van gegevens via computernetwerken. Het sleutelwoord luidt Internet. Wie niet weet wat Internet is, voelt zich achterlijk. Je vraagt je al snel af welke commerciële instelling dit succesvolle Internet heeft voortgebracht? Dat is nu juist zo bijzonder aan Internet. Het is een produkt dat niet door economische krachten tot stand is gekomen. Bij de start, zo'n twaalf jaar geleden, was geen bedrijf erin geïnteresseerd.

Terwijl grote industrieën als Philips, Digital en Control Data Corporation de ene na de andere flater begingen in de informatica-wereld, ontwikkelden een stelletje wereldvreemde wetenschappers geheel belangeloos Internet. Niet gedreven door de zucht naar rijkdom, maar door de behoefte aan contact met hun collega-wetenschappers. Het resultaat mag er zijn. Alle wetenschappers over de gehele wereld kunnen elkaar nu snel en gemakkelijk teksten toesturen. Deze berichten komen binnen enkele minuten aan op de plaats van bestemming. De wereld buiten de wetenschap begint nu in de gaten te krijgen dat dit net leuk speelgoed is.

Met als gevolg dat de Markt haar zinnen heeft gezet op het netverkeer. Wereldwijd klagen industriëlen en topbankiers over de onwil van de mensen om te betalen voor het gebruik van computernetten. In Nederland is het bankwezen altijd sterk geweest in vorming van kartels. Hun laatste succes is het monopolie Beanet. Het computernet dat het betalen door middel van een pasje met pincode mogelijk en duur maakt. Internet zal spoedig in handen van de commercie vallen. Voor elke informatie die via het net verkregen wordt, zal dan flink betaald moeten worden.

Waarom is iedereen opeens in Internet geïnteresseerd? Voor wetenschappers is het een prachtig middel om te communiceren. Voor een aantal bedrijven is het ook nuttig. Voor wetenschappelijke uitgeversmaatschappijen, zoals Elsevier, staat het hele bestaan op het spel. Maar voor huis- tuin- en keukengebruik is het snel kunnen versturen van teksten naar Sydney of Peking nutteloos, en volgens mij niet eens spannend.

De grote plotselinge aandacht wordt veroorzaakt door een uitbreiding die Internet ondergaan heeft. Het net is het laatste jaar veel aantrekkelijker en opwindender geworden, want het is nu ook mogelijk om plaatjes te versturen. Zelfs bewegende beelden.

Wat de consument nu al in overvloed via tientallen televisiekanalen kan ontvangen, kan hij nu ook via de computer binnenhalen: gewelddadige series, stompzinnige quizzen en porno. Met nog minder kwaliteitscontrole. Dus met nog veel meer geweld en met hardere porno. Kettingbrieven tieren nu al welig op het net. De eerste gokcircuits zijn al opgericht. Kwaadaardige virussen zijn gesignaleerd. En ook de neo-nazi's zijn gearriveerd. Kortom: Internet met plaatjes voorziet in een grote behoefte.

In tegenstelling tot het binnenhalen van teksten verloopt het verzenden en bekijken van beelden stuitend traag. Het hele netwerk raakt er door verstopt. Degenen die denken dat het binnenkort door technische verbeteringen veel sneller zal gaan, snappen niks van de psychologie van de mens. Zonder sociale controle is de mens een veelvraat en een viespeuk. De kleine kring van wetenschappelijke gebruikers hielden elkaar nauwgezet in het oog op het net. Die tijd is voorbij en binnenkort zal de commercie haar intrede doen om een einde te maken aan de anarchie.

U denkt dat ik overdrijf als ik beweer dat Internet met plaatjes alleen pulp produceert. Bij de aanschaf van een snelle personal computer met een snel modem en een duur kleurenscherm droomt u over al die mooie informatiebronnen die u kan raadplegen. Even Amerika bellen en een encyclopedie naslaan. Dat is nou jammer. In heel de Verenigde Staten bestaat geen enkele goede encyclopedie. De enige nuttige informatie op Internet is bijeengeraapt door goedwillende amateurs. Die informatie is incompleet en onbetrouwbaar.

Natuurlijk, de computernetten die op Internet zijn aangesloten barsten van de gegevens, maar leveren weinig informatie. Een verzameling van gegevens is iets anders dan informatie. Informatie betekent filteren en combineren van gegevens. En dat filteren en combineren kan de computer niet. Wat voor onzin informatici daarover ook uitkramen.

U wilt goedkope informatie? Koop voor een paar gulden kilo's oude kranten. Daar kan geen informatie van Internet tegen op. Die informatie is veel betrouwbaarder. En veel makkelijker terug te vinden dan op het net. U wilt goede betrouwbare informatie en bent bereid om er wat voor te betalen? Koop toch gewoon de Winkler Prins encyclopedie. Een beetje oubollig maar wel een superieure vorm van informatieverschaffing.

terug naar index




Vijfde Colonne
Wie droomt er niet van om ingehaald te worden als bevrijder? Maar daarvoor moet je wel eerst tegen een meedogenloze bezetter strijden. En daar is moed voor nodig. Wie durft er nu, vijftig jaar na 1945, nog tegen een onderdrukker in opstand te komen? Een aantal verzetstrijders, onder leiding van Roel in 't Veld, hooggeleerde organisatiedeskundige, durft het. Roel en zijn kornuiten gaan de universiteit bevrijden. Ai! U wist nog niet dat de universiteit bezet was? Het is ook altijd hetzelfde liedje met de zwijgende meerderheid: Achteraf zeggen dat u het niet geweten heeft.

De strijd tegen de bezetter wordt gevoerd met moderne wapens: In Rotterdam wordt een chique en exclusief symposium georganiseerd onder de titel: Naar een bevrijde universiteit. In de glanzende prospectus, die ik op vier mei ontving, lees ik dat het drukkende, conservatieve klimaat dat heerst op de universiteiten moet worden weggevaagd. De universiteit moet worden bevrijd van de dictatuur van de middelmaat. Razende Roel vindt zelfs dat er een einde moet komen aan het wettelijke kartel dat de overheid heeft op universitair onderwijs.

De decaan van de Rabo-academie is een dappere medestrijder. In de bankwereld is bevrijding een ander woord voor vijandige overname. Het was te verwachten dat een onderneming als de Rabobank een universiteit wil overnemen. Ze moeten hun onderwijspoot versterken. Sinds de Rabo eigenaar is van alle wetenschappelijke kennis van het Philips concern is hun onderzoekspoot sterk genoeg.

Hoe stellen de bestuurskundigen zich voor dat de bevrijding zal verlopen? De heren bevinden zich op grote hoogte. Vanuit die afstandelijke positie zien ze alleen nog maar contouren. We moeten dus niet al te concrete voorstellen verwachten. Maar toch liegen de plannen er niet om. De bevrijders vinden dat er bedrijfsmatiger moet worden gewerkt. Zij zijn van mening dat er een professionalisering van het universitaire bestuur moet komen. Er moet een omslag in het denken komen. Er moet sponsoring komen door het bedrijfsleven. De universiteit dient een commerciële onderneming te worden. Dat laatste heb ik eerder gehoord.

Acht jaar geleden schreef een Rotterdamse herenclubje (bestaande uit o.a. Ritzen, Hirsch-Ballin en Rinnooy-Kan) al een pamflet onder de titel 'naar een ondernemende universiteit'. Ik schiet nog regelmatig in de lach als ik aan een van de belangrijkste zinnen uit dat rapport denk. Die zin luidt: 'Geen enkele universiteit kan alles betekenen voor iedereen'.

Om uit te vinden of het symposium eventueel voor mij interessant zou kunnen zijn, heb ik mij wat verdiept in de bestuurskunde. Ik heb een handboek voor 'Management van het Hoger Onderwijs' bestudeerd. Wat blijkt? De bestuurskundigen hebben net als de natuurwetenschappen modellen; ja, ze hebben zelfs net als de natuurkunde een standaardmodel. Het standaardmodel uit de bestuurskunde heet DOR. Ik had geen betere afkorting kunnen bedenken. DOR staat voor Doelen formuleren, Organiseren en Realiseren. De uitwerking van het DOR-model bespaar ik u.

Bestuurskunde is een wetenschap. Op de Erasmus Universiteit kan je al na drie jaar onderzoek promoveren tot doctor in de bestuurskunde. Ik zal u enkele van de studieonderwerpen niet onthouden: 'Evaluatie van het gecoördineerd, gedistribueerde probleemoplosparadigma als testbed voor theorieën van organisationeel probleem oplossen.' Bent u daarin niet geïnteresseerd? Wat denkt u van deze: 'Evalueren van organisaties in termen van neurale netwerken, gebaseerd op de theorie van de organisatie-fractal.' In dit laatste geval worden twee moderne ontwikkelingen uit de wis- en natuurkunde door elkaar gehaald. Het klinkt modieus, dat wel.

Hoe zit het met de praktische toepassing van de wetenschap bestuurskunde. Ik heb een offerte bekeken van het SIOO (Stichting Interacademiale Opleidingen Organisatiekunde) voor het doorlichten van een paar universitaire faculteiten.. In 't Veld is rector van deze onderneming. Het wollige flutstuk wemelt van de taalfouten. Correct gebruik van de Nederlandse taal kan je niet verwachten van medewerkers die zich marktconform opstellen en die wel als 'schakel' willen functioneren voor fl. 1250,-- per ochtend of middag. Uiteraard vrij van BTW want het SIOO is geen echte onderneming.

Wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijk onderwijs kan je niet overlaten aan bestuurskundigen. Onderzoek dient te worden bestuurd door onderzoekers en onderwijs door onderwijzers. Mensen die door ervaring, kennis en capaciteit op een natuurlijke manier zijn komen boven drijven in de eigen of vergelijkbare organisatie.

Bestuurskundigen op een universiteit. Dat zijn geen bevrijders. Ze vormen de vijfde colonne, verkapte aanhangers van de vijandelijke macht. De universiteit moet inderdaad bevrijd worden: van bestuurskundigen.

terug naar index




Kippegaas
Ik zie liever een Japanner werkeloos dan een Nederlander. Daarom kies ik bij de aan schaf van een elektrisch apparaat bij voorkeur Philips. Dit politiek correcte gedrag is niet altijd gemakkelijk vol te houden.

Een tijdje geleden werd in Amsterdam weer eens de radio uit mijn auto gestolen. Ik ben verslaafd aan radio en ik moest meteen een nieuwe hebben. Een radioluisteraar heeft het moeilijk. Het medium is vergeven van reclame en sport. Om dit te vermijden ben ik tijdens het autorijden voortdurend aan het schakelen van zender naar zender. Ik eindig altijd op de Lange Golf. Ik smul van de nationale BBC, niet te verwarren met hun Worldservice. Laatst hoorde ik er de minister van justitie zeggen dat geen Brit in zijn stad het niveau van misdaad zou accepteren dat in Amsterdam heerst.

'Ik wil een Philips autoradio met daarop Lange Golf en veel voorkeuzetoetsen' deelde ik de verkoper op besliste toon mede. Ik kocht de Philips DC 342.

Dat had ik niet moeten doen. De talloze, op elkaar lijkende, bedieningsknopjes van dit technologische hoogstandje hadden opschriften die onleesbaar waren. 's Avonds was het nog erger. De schaars verlichte knopjes waren in niets meer van elkaar te onderscheiden.

De Lange Golf was niet te vinden. Waar ik ook op drukte, elke keer kreeg ik een regionale omroep. Opeens had ik het door: Voor de Lange Golf moest ik vijf keer op de tweede knop van links van de bovenste rij drukken. Groot was daarna mijn teleurstelling. Een vreselijk geknetter vulde de auto: De Lange Golf bleek niet ontstoord te zijn.

Tijdens kantoortijd heb ik de klantenservice gebeld. Uiteraard was dit Philips 06-nummer niet gratis, want klachten moet je niet aanmoedigen. Een vrouwelijke computerstem neemt voor Philips de telefoon aan en wil weten of ik een modern telefoontoestel heb.

'Wilt u op de nul drukken.' Ik gehoorzaam braaf.

'Ah, u heeft een modern toestel. Als u informatie wil over Philips hifi-produkten wordt u verzocht de nul in te drukken. Als u informatie wil over Philips huishoudelijke produkten ...'

Als de metalen dame bij de zeven is, hoor ik:

'Als u een klacht ..'. Voordat ik de band verder afwacht, druk ik geïrriteerd op de zeven.

'Ah, u heeft een klacht. Als u een klacht heeft over Philips hi-fi moet u op de nul drukken. Als u een klacht heeft over Philips huishoudelijke apparatuur .... '. Als ze bij klachten over car-audio is druk ik woedend op de vijf.

'Ah, u heeft een klacht over car-audio produkten. U wordt doorverbonden met de verantwoordelijke persoon.'

Na een minuut wachten, meldt de stem mij dat de desbetreffende persoon in gesprek is. Na nog enkele minuten, deelt de koude stem mij mede dat die persoon niet meer bereikbaar is. Alles verloopt nog steeds volautomatisch traag. Ik hoor nog:

'Na de pieptoon kunt u uw klacht inspreken.' Ik gooi woedend de hoorn op de haak.

Ik stuur een fax naar Eindhoven. Binnen een week word ik teruggebeld. Mijn probleem was op te lossen: 'U moet onder de motorkap op bepaalde plaatsen stukken kippegaas aanbrengen'. Als dat niet zou werken, moest ik mij maar beperken tot het luisteren naar de radio met uitgeschakelde motor.

Een brief gestuurd naar Timmer, de baas van de uitvinders. Het telefonische antwoord kwam; niet van Timmer, maar wel was ik hoger in de hiërarchie gekomen. Een Philips Relations officer legt mij uit:

'Het is niet de schuld van Philips. Philips kan niet elke combinatie uittesten van auto en radio. U moet naar uw autodealer gaan'.

'Maar mijnheer, ik rijd Opel Corsa. De meest populaire en burgerlijke auto van Nederland. Philips verkoopt een autoradio die het niet doet in een Opel!'

'Weet u mijnheer Lagendijk, de meeste consumenten zijn niet geïnteresseerd in de Lange Golf.'

'Waarom zet u hem er dan op', bitste ik terug.

'O.k., mijnheer Lagendijk, wij zijn bereid om u het bedrag van de radio te vergoeden'.

Ik: 'Daar gaat het niet om. Ik wil dat jullie er wat aan doen. Jullie moeten de Japanners verslaan'.

PR officer: 'Mijnheer Lagendijk, u heeft gelijk, maar de Philips ingenieurs willen er niets aan doen. Als u mij een type autoradio van een ander merk opgeeft waar de Lange Golf wel van ontstoord is, dan gaan we er werk van maken.'

Zoals u ziet doet het elektronica-concern nog regelmatig de naam van zijn geboortestad eer aan: Eindhoven betekent ten slotte de laatste boerderij, daarna houdt de wereld op.

terug naar index




Aziatische tijgers
Ajaxtrainer Louis van Gaal heeft maar een doel voor ogen: met zijn elftal jaar in jaar uit aan de top blijven. Om dit te realiseren, struint Ajax de hele aardbol af naar jong voetbaltalent. Een bal is in Ghana namelijk even rond als in Amsterdam. Niet alleen in de sport, maar ook in de muziek en in de wetenschap geldt dat het niveau van de beoefening in een land omhoog gaat als men buitenlandse professionals een kans geeft.

Het importeren van talent mag dan normaal zijn voor het betaalde voetbal, in de vaderlandse wetenschap komt het niet voor. In het nationale wetenschappelijke wereldje val je flauw van de spruitjeslucht. Autochtone Groningers, Amsterdammers en Brabanders maken er de dienst uit. Ter verdediging van ons land kan aangevoerd worden dat de omringende landen het zeker niet beter doen.

Jonge Indiërs en Chinezen weten dat ze in het rijke Westen kunnen komen door bij hun studie op middelbare school en universiteit uit te blinken in de exacte vakken. India en China hebben samen ruwweg 150 keer zoveel inwoners als Nederland. Dat betekent dat ze ook 150 keer zoveel slimmeriken hebben als wij. Vele van deze bollebozen verlaten hun vaderland. En waar gaan deze getalenteerde economische vluchtelingen naar toe? Komen die naar Nederland? Welnee, in ons christelijke landje is slechts plaats voor verdrukten uit den vreemde. Het is jammer dat Nederland niet profiteert van deze internationale 'breinvlucht'.

De Aziatische studiehoofden gaan naar de Verenigde Staten. Nog steeds. Waar ze welkom zijn. Nog steeds. En ze stijgen tot grote hoogten. Ik zal een paar namen noemen van Amerikaanse Nobelprijswinnaars voor natuurkunde: Subrahmanyan Chandrasekhar, Tsung-Dao Lee, Samuel Ting, en Chen Ning Yang. Tsung-Dao Lee moet u niet verwarren met Yuan Tseh Lee, de laatste kreeg als Amerikaanse Chinees de Nobelprijs voor de scheikunde.

Hollandse dominees vinden dat de getalenteerden in hun eigen derde-wereldland zouden moeten blijven. Dat ze hun land zouden moeten helpen opbouwen. De briljante studiekoppen blijken echter niet gevoelig voor dit soort moralistisch argumenten. Ze gaan toch. Hun vertrek lijkt een gevoelig verlies voor hun vaderland.

Is het eigenlijk wel zo erg dat zij hun land verlaten? Als ze in hun vaderland waren gebleven, zouden ze zich er misschien wel maatschappelijk verdienstelijk hebben gemaakt, maar hun unieke talent hadden ze er nooit kunnen ontwikkelen. Talent dat niet wordt ontwikkeld, is zonde. Als Yang in China was gebleven, hadden we in de natuurkunde geen Yang-Mills theorieën gehad. Hadden we geen quarks gekend. Hadden we geen Higgs deeltje gekend. Als Chandrasekhar in India was gebleven, was de gehele wereld voor altijd verstoken geweest van de schoonheid van zwarte gaten, supernova-explosies en witte dwergen.

Immigranten die als wetenschapper carrière hebben gemaakt in hun nieuwe vaderland onderhouden doorgaans goede betrekkingen met hun oude vaderland. Deze contacten zijn nuttiger dan die welke via de officiële politiek tot stand komen. Ze zijn gebaseerd op respect en niet op vriendjespolitiek.

De Aziaten zijn welkom in de VS omdat de eigen Amerikaanse jeugd nooit veel trek heeft gehad in het studeren van exacte vakken. Management wordt er belangrijker gevonden. Een bekende uitspraak is: 'Why do science, if you can be his boss'. In de VS is het merendeel van de jonge onderzoekers in de exacte vakken al van Aziatische afkomst.

Ook in Nederland wordt leidinggeven tegenwoordig hoger aangeslagen dan vakmanschap. Dit is er mede oorzaak van dat de jeugd ook hier steeds minder zin heeft om een technische opleiding te volgen. Over die laatste ontwikkeling ventileren de werkgevers regelmatig hun bezorgdheid. Om te trachten toch nog jongeren te interesseren voor beta-studies, worden er door gerespecteerde wetenschappers allerlei vormen van brede-bèta opleidingen bedacht.

Als te weinig jonge Nederlanders techniek willen studeren, dan kunnen we toch proberen om het Chinese, Indische, Vietnamese, en Indonesische talent over te halen om in ons land onderwijs te volgen. In een klap zou de instroom in de exacte vakken aan de universiteiten weer op peil zijn. Na hun studie blijven de Aziaten gewoon hier.

De Nederlandse werkgevers zouden moeten inzien hoeveel voordelen mijn plan heeft. Hun weg, proberen allerlei alfa- en gamma-studies te declasseren, is tot mislukken gedoemd. Helaas merken we juist in deze tijd hoe weinig de autochtone Nederlandse werkgevers geneigd zijn te profiteren van de kwaliteiten van allochtonen. Ook die enkele jonge Chinezen en Vietnamezen die nu al in Nederland zijn en hier promoveren tot doctor in de natuurkunde wordt nooit een baan aangeboden. Dom, dom, oliedom. De Amerikaanse bedrijven als IBM en Exxon zijn veel slimmer. IBM is bezig een onderzoekslaboratorium in Peking op poten te zetten dat onder leiding komt te staan van G.H. Wang, een Amerikaanse Chinees die op dit moment nog reserach-directeur is bij het grootste Amerikaanse IBM-laboratorium.

De minister van algemene zaken en de minister van buitenlandse zaken hebben net Vietnam en China bezocht. Als goede dominees hebben ze daar een paar flinke reprimandes over de mensenrechten uitgedeeld. Ze hebben ook wat ontwikkelingshulp gegeven. Maar de Chinezen hebben wel moeten beloven dat ze deze gift uitgeven aan milieumaatregelen - als het kan ook nog bij Nederlandse bedrijven. Geen woord over studiebeurzen om in Nederland te studeren.

terug naar index




Groene vrede
Het zit diep in ons. Bewondering voor een lefgozer die eigenhandig schurken aanpakt. Of ze nu Robin Hood, Rode Pimpernel, Zorro of Superman heten, op onze sympathie kunnen ze rekenen. Eigenrichting is verleidelijk. Amerikanen produceren aan de lopende band populaire films en t.v.-series, zoals The Equalizer, Hawk, Knightrider en de A-team, waarin kwade pieren het af moeten leggen tegen rechtschapen burgers die het recht in eigen handen hebben genomen.

Het is dus niet zo gek dat ook Greenpeace, het groene A-team, op massale steun kan rekenen. Als echte macho's wagen de groene ridders hun leven. De strijders voor 'groene vrede' snijden eigenhandig netten door van gemene Portugese vissers. Die visten namelijk met netten die veel te groot waren. Greenpeace had zelf de maat genomen.

Helaas deugt de manier van redeneren van Greenpeace aan geen kanten. Als een van de 600.000 Nederlandse donateurs - leden en andere pottekijkers kan Greenpeace niet gebruiken - krijg ik regelmatig bladen van Greenpeace in de bus. De inhoud doet mij denken aan het propagandamateriaal van totalitaire regimes. Het doel heiligt de middelen zullen we maar zeggen.

'The world according to Greenpeace', zit verpletterend eenvoudig in elkaar. Het volk moet kost wat kost milieubewust gemaakt worden. Dit dient vooral niet te gebeuren door te appelleren aan het verstand van de mensen, want het kan veel gemakkelijker door ze angst aan te jagen met rampen. Zoals het broeikaseffect, het gat in de ozonlaag en nu de Franse kernproeven.

Niet alleen van Greenpeace, maar de anti-wetenschappelijke houding van de gehele groene beweging is eng en gevaarlijk. Wetenschappelijke discussies zijn niet meer van belang. Geleerden die genuanceerd denken over het broeikaseffect, zoals Prof. C.J.F Böttcher, worden niet serieus genomen. Intussen heeft Böttcher wel een wetenschappelijke staat van dienst waar geen enkele Hollandse milieudeskundige, ook geen enkele milieuprofessor, aan kan tippen.

De milieubeweging vervreemdt zich van de wetenschap. Wetenschappelijke grondwetten worden geschonden. De onderbouwing van de vele sombere voorspellingen met een grondige statistische analyse van de gegevens, wordt niet meer nodig gevonden. Als wetenschappelijke gegevens een te grote variantie vertonen, zijn ze waardeloos. Ook al voorspellen ze honderd keer het einde van de wereld. Iedere wetenschapper weet dat, maar alleen al het vragen naar de wetenschappelijke betrouwbaarheid van de milieugegevens, wordt bij de milieuspecialisten opgevat als een motie van wantrouwen.

De sombere klimaatvoorspellingen gebeuren aan de hand van overgesimplificeerde modellen. Met wolken weten ze geen raad in deze simplistische theorieën ( Physics Today , november 1994). Nieuwe wetenschappelijke gegevens die een ander beeld oproepen dan de milieubeweging welgevallig is, worden weggewoven. Een voorbeeld: Absorptie in de atmosfeer van kortgolvige zonnestraling wordt volkomen verkeerd voorspeld door de gangbare klimaatmodellen ( Physics Today , mei 1995). Het fanatieke geloof in het broeikaseffect zal er niet door worden geschokt.

Nu dan de Franse kernproeven. Volgens Minister De Boer - dezelfde minister die in haar eigen kabinet tegen Schiphol niks kon klaarmaken - moeten we de Fransen laten stikken in hun stokbrood. Greenpeace, de opofferingsgezindheid van het grote publiek beter inschattend, is voor een meer symbolisch protest.

Het mobiliseren van mensenmassa's tegen kernproeven is kinderlijk eenvoudig. Je hoeft alleen het woord 'kern' maar te laten vallen. Feitelijke informatie is dan niet meer nodig. De milieubeweging is er in het verleden namelijk in geslaagd om de mensen hysterisch angst in te boezemen voor alles wat met 'kern' te maken heeft. Greenpeace komt nu zelfs met de werkelijk belachelijke kreet: 'nuclear free'.

Wetenschappelijke instituten voor kernonderzoek zagen zich genoodzaakt hun naam te veranderen. Geen fysicus die zich nog kernfysicus of kerngeleerde durft te noemen. Intussen wordt menige Nederlander genezen door toepassing van de door kerngeleerden uitgevonden, revolutionaire techniek van ' kern magnetische-resonantie-afbeelding'. Voordat de ziekenhuizen echter bereid waren tot aanschaf over te gaan van deze nieuwe apparatuur, moest eerst het voorvoegsel 'kern' uit de naam verwijderd worden. Want door de geslaagde heksenjacht van de milieubeweging op alle kerntechniek wisten de medici dat geen mens in een 'kernapparaat' zou durven te stappen. Ook al zou hij er kerngezond van worden. Vandaar dat de naam van de techniek werd veranderd in magnetische-resonantie-afbeelding.

Als u dit leest, hoop ik ergens in Frankrijk te zitten. Met croissants en stokbrood.

terug naar index




IJdelheid
Ben Knapen had het allemaal zo mooi bedacht bij zijn aantreden als hoofdredacteur van de NRC. Hij zou van NRC Handelsblad meer een krant maken zoals de Frankfürter Allgemeine . Nog dichter schurken tegen de captains of industry. De positie van de NRC leek ijzersterk in een tijd waarin het vrije ondernemerschap aan een sterke herwaardering onderhevig is. Maar, zaken zijn zaken. Elsevier ziet meer brood in het uitgeven van wetenschap dan van dagbladen. De NRC wordt gedumpt door het Reed-Elsevierconcern. De Telegraaf popelt om de zakenkrant op te kopen.

Gelukkig voor de NRC en voor ons allemaal is het martkdenken nog niet zover doorgedenderd dat de eigenaren van dagbladen invloed kunnen uitoefenen op de inhoud. Dagbladen die een tikje van de markt krijgen, kunnen nu nog moord en brand schreeuwen. Geen enkele krant heeft zich echter de moeite getroost om eens wat meer informatie te verschaffen over die wetenschappelijke markt van Elsevier . Waarom is die zo lucratief en stabiel?

Ik ben redacteur bij zo'n wetenschappelijk tijdschrift van Elsevier en het spreekt dat ik geïnteresseerd ben in het wel en wee van het uitgeven van wetenschap. Maar elke wetenschapper is daar in geïnteresseerd. Zijn hele bestaan hangt er van af. Het al of niet krijgen van een vaste baan. Het verder klimmen op de wetenschappelijke ladder. Het krijgen van uitnodigingen voor conferenties, het ontvangen van prijzen, tot en met de Nobelprijzen. Dat alles wordt bepaald door de wetenschappelijke artikelen die onderzoekers gepubliceerd krijgen. Artikelen waarvan een fors gedeelte door Elsevier wordt uitgegeven.

De oplage van een wetenschappelijk tijdschrift in de exacte vakken ligt rond de twee duizend. De abonnementsprijs van een wetenschappelijk tijdschrift ligt al gauw rond de vijfduizend gulden per jaar. Vijfduizend gulden maal twee duizend is tien miljoen gulden per wetenschappelijk tijdschrift.

Welke kosten staan daar tegenover? Een wetenschappelijk tijdschrift is eigenlijk niets anders dan een grote rubriek van ingezonden brieven. Het zal u verbazen, maar auteurs die hun ingezonden artikel geplaatst krijgen, ontvangen hiervoor geen enkele vergoeding. Als auteurs overdrukjes willen van hun eigen artikel moeten ze daarvoor betalen.

De redacteuren kosten heel weinig. Zij verrichten ook niet zoveel werk. Zij laten de ingestuurde manuscripten beoordelen door vakgenoten. Dat beoordelen van een artikel kost wel veel tijd. Een actieve onderzoeker krijgt al gauw een manuscript per week te beoordelen. En toch doen die onderzoekers dat beoordelen helemaal gratis. Het streelt je ijdelheid om als beoordelaar gevraagd te worden.

De enige kosten die moeten worden gemaakt betreffen een paar goed opgeleide bureauredacteuren en de drukkosten. Voor de distributie zorgt de post.

Is er veel concurrentie? Er zijn een aantal grote wetenschappelijke uitgeverijen, waaronder een enkele met een ideële basis. Zoals die van de American Physical Society . Deze uitgeverij rekent lage abonnementsprijzen en heeft hoge oplagen. De tijdschriften van deze Amerikaanse uitgeverij worden zelfs in de Tweede en Derde Wereld gelezen. Waarom publiceert niet iedereen bij de ideële uitgevers? Dat heeft vooral te maken met het ego van de wetenschappers.

Wetenschappers willen wat het ook kost hun artikel gepubliceerd krijgen. Dus als het ene tijdschrift je artikel weigert, dan stuur je het naar een ander. Net zo lang totdat je een tijdschrift hebt gevonden waarvan de redactie het wel publiceert. Omdat je carrière ervan afhangt, doe je het graag gratis. Zo is er een markt voor veel tijdschriften. Er komen er ook nog steeds bij. Ieder wetenschapper erkent dat er veel te veel wordt gepubliceerd. Maar niemand weet hoe hier een halt aan kan worden toegeroepen.

Zijn er helemaal geen donkere wolken voor wetenschappelijke uitgevers? De opkomst van de informatie-snelweg vormt ontegenzeglijk een bedreiging voor hun exorbitante winsten. Er is veel hysterie over het door wetenschappers als hobby ontwikkelde World-Wide-Web . Veel van de commotie valt onder de categorie World-Wide-nep. Maar voor wetenschappers is deze vorm van telecommunicatie wel serieus. Een groot gedeelte van de communicatie tussen auteurs, redacteuren, beoordelaars en de uitgevers gaat nu al over dit net.

De meeste tijdschriften worden nu nog op papier gedrukt. Maar dat zal snel veranderen. Wetenschappelijke tijdschriften worden dan alleen nog elektronisch uitgegeven. Om dat te kunnen behappen, moet Elsevier flink investeren. Ze moeten daar zelfs een gevaarlijke achterstand wegwerken.

Het bedrijfsresultaat van dagbladen hangt af van vele instabiele maatschappelijke factoren. Het succes van wetenschappelijke uitgeverijen is gebaseerd op de ego's van wetenschappers. Een stabielere basis is voor een bedrijf niet denkbaar.

terug naar index




Komkommer
Het is alweer bijna voorbij, die mooie zomer. Ik zal haar missen. Weer was niets te onbenullig om in het nieuws te komen. Het VVD-kamerlid Kamp hield zich bezig met de bedreiging die biobakken vormen voor de volksgezondheid. Datzelfde kamerlid had zich vroeger al verdienstelijk gemaakt door de te grote bemoeienis van de overheid aan de kaak te stellen bij het vaststellen van de brandbaarheid van onderbroeken.

Er dreigt een gevaar. Deze zomer lijken de religieuze fundamentalisten angstig op te rukken. Door hun toedoen wordt de theorie van Darwin niet geëxamineerd op middelbare scholen. Aan deze misstand moet een einde worden gemaakt. Een van de belangrijkste strijders voor Darwin is <voornaam??> Roskam, de evolutiebioloog uit Leiden. Ik hoorde hem op de Tros-radio zeggen dat de theorie van Darwin 'de best geteste natuurwetenschappelijke theorie is die de mensheid kent'. 'Pardon!' was het enige dat ik nog uit kon brengen. Ineens was het me duidelijk. De voorgewende opwinding over Darwin was gewoon een geconcerteerde actie om de biologie te promoten. En daar is natuurlijk niets op tegen.

Als ik werk van Stephen J. Gould lees, de Amerikaanse paleontoloog die voor de VPRO-televisie optrad, krijg ik een veel kritischer beeld van de theorie van Darwin dan de halleluja van Roskam. Een groot probleem bij de theorie is de vaagheid over de tijd die nodig is voor evolutie. Gould voert zelfs het begrip Deep Time in om uit te leggen dat geologische tijdschalen het begrip van mensen te boven gaat. Er is trouwens helemaal geen sprake van één theorie van Darwin. Je hebt strikt-Darwinisme. En Neo-darwinisme. Van beide moet Gould niets hebben. Hij heeft een eigen prive-versie van de theorie van Darwin: de theorie van het 'punctuated equilibrium'.

Die komkommer over Darwin demonstreert nog eens duidelijk het probleem van de wetenschappelijke wereld. De media zijn steeds minder geïnteresseerd in serieuse wetenschap. Wetenschap is geen amusement. Wetenschap is geen ruzie. En wetenschap kan meestal niet in een minuut worden uitgelegd.

Wat moeten wij wetenschappers doen om te overleven. Moeten we hetzes creëren? Of moeten we paranormale verschijnselen wetenschappelijk gaan controleren? Zoals de Universiteit van Utrecht doet: daar gaat de geneeskracht van Jomanda bestudeerd worden. Moeten we meedoen aan wetenschapsquizzen? Ik vrees van wel.

Is het doen van voortreffelijke wetenschappelijk onderzoek niet meer genoeg legitimering voor ons werk? Ik vrees van niet. Deze zomer is een belangrijke ontdekking gedaan in de natuurkunde. Misschien wel de belangrijkste van de laatste vijf jaar. Misschien wel de belangrijkste van de laatste vijfentwintig jaar. Het heeft alleen in de wetenschapbijlagen van enkele kranten gestaan.

De ontdekking heet Bose-condensatie. Er werd al tientallen jaren naar dit fenomeen gezocht. Bij een lage temperatuur blijken bepaalde gassen - in dit gevalbestaande uit rubidium atomen - een vreemde faseovergang te ondergaan. Alle atomen gaan in de pas lopen, met allemaal precies dezelfde snelheid. Een verschijnsel dat alleen maar begrepen kan worden met behulp van de quantummechanica. Diezelfde quantummechanica die verantwoordelijk is voor de onzekerheidsrelaties van Heisenberg. Verdere details leg ik later nog wel eens uit, bijv. als de Nobelprijs gegeven is. Deze ontdekking was niet het resultaat van grootschalige wetenschap. Het betrof hier een Amerikaanse tweemans-operatie.

Het Amerikaanse persbericht meldt trots dat een nieuwe vorm van materie gevonden is. Na de vaste, de vloeibare en de gasfase kennen we nu ook de Bose-gecondenseerde fase. Het radioprogramma Met Het Oog op Morgen wilde er weleen paar minuten aan besteden. Presentatrice Marga van Arnhem had wetenschapsjournalist Herbert Blankestein gevraagd om op vijf voor twaalf `snachts uit te leggen waarom die Amerikanen zoveel kabaal maakten. En wat zegt Marga, nadat aan haar uitgelegd is dat er na tweeduizend jaar beschaving een nieuwe vorm van materie is ontdekt: ' En nu, Herbert, de hamvraag. Wat is het nut?'

Bij de BBC radio was het zo mogelijk nog erger. De onderzoekers die de ontdekking uitlegden, moesten werkelijk door hun knieën. Ze moesten rechtvaardigen waarom belastingcenten aan deze spielerei mocht worden besteed. Ze kwamen met toepassingen die uitstekend zouden passen in eenprogramma van Monty Python.

Laat ik eens wat moderne uitvindingen op een rijtje zetten. Transistoren. Chips. Gevoelige lichtsensoren. Heldere lichtbronnen. Het zijn essentiële onderdelen van bijv. televisietoestellen (en camera's en zenders), stereoapparatuur, computers, compact-disks en telecommunicatie-apparatuur.

Allemaal uitvindingen gebaseerd op quantummechanische principes. Hoe al die ontdekkingen mogelijk waren? Omdat tussen 1920 en 1980 niet iedere wetenschapper voortdurend werd lastig gevallen met de hamvraag.

terug naar index




Voorlichting
Veel lelijke daden zijn toegestaan bij het maken van reclame voor een commercieel produkt. Liegen en bedriegen, het mag allemaal. Dit in tegenstelling tot voorlichting. Voorlichting houdt in dat mensen objectieve informatie krijgen aangeboden, meestal in een makkelijk te verteren vorm.

Mensen kunnen nooit te veel voorgelicht worden. Ook dit kabinet denkt er zo over. In de paarse coalitie kan niemand buiten Den Haag een greintje milieuvriendelijkheid ontdekken. Wat denken de zgn. progressieve partijen hieraan te doen? Het beleid veranderen? Nee, het beleid van dit en de andere ministeries moet beter worden verkocht. Met onmiddellijke ingang worden een aantal voorlichters van de juiste politieke kleur aangesteld. Dit begint al gevaarlijk veel op ministeriële propaganda te lijken.

Voorlichting wordt gegeven door organisaties die een monopolie-positie hebben. De ministeries; de belastingdienst; TNO; de Nederlandse Spoorwegen; de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk Onderzoek (NWO), om er een paar te noemen. Allemaal eisen ze pagina's van landelijke dagbladen op. Of vullen ze hele Sterblokken op de radio met hun voorlichting.

Waar hebben we deze stortvloed van gratis nascholing aan te danken? Bedreigen ons steeds meer gevaren, waarvoor we gewaarschuwd moeten worden? Welnee. De voorlichting heeft een andere karakter gekregen. Het dient niet meer ter informatie van de burger, maar ter meerdere glorie van de desbetreffende organisatie.

De aanleiding voor een publieke organisatie om zo'n propaganda-campagne te starten, is dat de bestuurders van deze organisatie ontevreden zijn over maatschappelijke waardering die zij ontvangen. Met meer voorlichting denkt men het tij te keren.

In vele westerse landen maken nationale onderzoeksorganisaties zich zorgen om de afnemende bereidheid van hun overheden om wetenschappelijk onderzoek te financieren. De publieke opinie mobiliseren met voorlichting wordt als laatste redmiddel gezien. In de Verenigde Staten sporen bestuurders van onderzoeksorganisaties alle wetenschappers zelfs sterk aan om zich veel intensiever bezig te houden met het contact met het grote publiek. De eerste wetenschappelijke Tupperware-parties zijn al gestart.

In Nederland coördineert NWO het wetenschappelijk onderzoek. Ook deze organisatie voelt zich ondergewaardeerd door de politiek en vindt dat ze veel te weinig geld krijgt om te verdelen onder wetenschappers. Een dergelijke situatie vraagt om meer profilering en dus om een indringende voorlichtingscampagne.

In paginagrote advertenties werd Nederland gewaarschuwd. Als B.V. Nederland niet snel meer geld zou gaan uitgeven aan technisch-wetenschappelijk onderzoek dan zou het slecht aflopen met hoogwaardige technologie in Nederland. Helaas bleken de NWO pagina's een historisch onverantwoorde tekst te bevatten. Dat mocht de pret niet drukken, want geschiedenis was toch al geen prioriteitsgebied van NWO. De organisatie moet ook zo nodig een eigen magazine uitgeven: Hypothese . Hypothese bevat naast de verheerlijking van de eigen activiteiten een willekeurige verzameling van wetenschappelijke feitjes. De doelgroep is onduidelijk.

De campagne heeft tot nu toe weinig opgeleverd. Zoals elke monopolist vertoont ook NWO geen enkele neiging tot zelfkritiek. Iedereen binnen de organisatie vindt dat NWO een ideale organisatie is. De interne structuur is een typisch Nederlandse, die van de oneindige consensus. Over het stoppen van lopende projecten kan nooit consensus worden bereikt. Als molenstenen blijven ze hangen om de nek van de organisatie.

Publieke organisaties met een monopolie hebben het veel te makkelijk. In het wetenschapsbedrijf is het contrast tussen de wetenschappers en de monopoliehouder schrijnend. Onderzoekers hebben te maken met een moordende internationale concurrentie. De bureaucraten, die alleen maar het geld van de overheid hoeven door te sluizen, maken misbruik van hun monopolie-positie. Wetenschappers worden voortdurend gekleineerd en onder druk gezet. De bestuurders laten onafgebroken de prestaties van 'hun' wetenschappers 'meten'. De eerstvolgende twee weken ben ik weer zoet met de zoveelste overbodige tijdrovende kwaliteitsbeoordeling. En de ambtelijke coördinatoren kunnen gemakkelijk in hun stoel achterover leunen. Als zij problemen hebben, gooien ze er wel een arrogante voorlichtingscampagne tegenaan om de zwarte piet bij de politiek neer te leggen.

Monopolies van publieke organisaties moeten worden gebroken. Zou het niet prachtig zijn? Twee belastingdiensten. Na vijftig jaar ook een tweede rijksvoorlichtingsdienst. Ook het monopolie van NWO is uit de tijd. Laten zij ook de concurrentie maar eens flink voelen. We zouden een veel flexibelere coördinatie van wetenschappelijk onderzoek krijgen.

Twee organisaties voor onderzoek: NWO-I en NWO-II. Dan zouden ze reclame moeten gaan maken voor zichzelf in plaats van voorlichting te geven. Dan zouden ze moeten vechten om goede wetenschappers in hun portefeuille te krijgen. Ik droom wel eens vaker hardop.

terug naar index




Human interest
Darwin, Freud, Wittgenstein, Gödel, Einstein. Elke wetenschap kent haar eigen genieën. Ze worden vereerd als afgoden. Maar hoe belangrijk is hun werk tegenwoordig? Moet elke evolutiebioloog vandaag de dag nog steeds On the origin of species by means of natural selection van Darwin spellen. En moet elke filosoof die een proefschrift voorbereidt nog altijd eerst de Tractatus logico-philosophicus van Wittgenstein doorploeteren? Of kunnen aankomende geleerden volstaan met het bestuderen van de modernste vakliteratuur.

Een psycho-analyticus die bekent niets van het werk van Sigmund Freud te hebben gelezen, wordt voor gek uitgemaakt. Bekwamen in psychoanalyse houdt een verplichting in van het lezen van het werk Freud. Het is van wezenlijk belang om te zien hoe de Meester zelf het Oedipus-complex beschrijft. Ook voor het duiden van dromen zijn de woorden van de Meester zelf onmisbaar.

De Oostenrijks-Amerikaanse psychiater Bruno Bettelheim had als stelling dat een groot gedeelte van de Amerikaanse psychoanalyse ontspoord is, en wel omdat de psychiaters uit de Nieuwe Wereld alleen maar vertalingen van Freud hebben gelezen. En bij het maken van die vertalingen van het Duits naar het Engels zouden veel fouten zijn gemaakt. Om een voorbeeld te noemen. Freud spreekt van 'Das Ich' en 'Über-Ich'. Deze termen werden vertaald als 'the ego' en 'superego'. Terwijl Bettelheim vond dat het duidelijk was dat Freud 'the I' and 'the above-I' bedoelde.

Toch is het merkwaardig dat na honderd jaar ontwikkeling van een vakgebied nog steeds de woorden in de geschriften van de grondlegger met een vergrootglas dienen te worden bestudeerd. Dat duidt op stagnatie.

Ho, ho. Dat is wel een heel sterke conclusie. Iemand die klassieke talen studeert, moet juist het oorspronkelijke werk analyseren. Dit duidt helemaal niet op stagnatie. Twisten over wat Plato nu wel of wel of niet heeft bedoeld, dat is de kern van het vak. Ook voor theologie moet je elke keer opnieuw tot de bron keren, die de Bijbel is.

Hoe anders is het gesteld met natuurwetenschap en wiskunde. Raadplegen van de bronnen is overbodig. Wiskundigen staan niet stil bij het werk van de Fransman Henri Poincaré (1854-1912). De ontwikkelingen gaan door. De nakomelingen bouwen verder aan het huis. Juist dat verder bouwen is een eerbetoon aan de grote geesten. De briljante koppen hebben die verdere groei mogelijk gemaakt. Onderzoekers die na hen komen, vereenvoudigen en verbeteren het werk van de meesters. Na verloop van tijd wordt het oorspronkelijke werk van de meesters niet eens meer geciteerd. Alleen hun naam blijft nog verbonden aan hun ontdekkingen.

Een jonge scheikundige die aan de weg wil timmeren, moet vooral niets van Lavoisier, Priestley of Van 't Hoff gaan lezen. Dat houdt alleen maar op. Het is voldoende om een aantal artikelen uit de laatste vijf jaargangen van The Journal of Chemical Physics te bestuderen.

Starters in de natuurkunde die de top willen bereiken, moeten beginnen met het overslaan van alles wat Newton, Einstein en Bohr ooit geschreven hebben. Bestudering van de gehele correspondentie van Einstein; Het lezen van de mistige bijdragen van Bohr; Dienen deze activiteiten dan geen enkel natuurwetenschappelijk doel? Nee, inderdaad niet.

Maar deze historische en sociologische studies zijn wel heel belangrijk. Ze verschaffen inzicht in het functioneren van de natuurwetenschappelijke gemeenschap. Zij vormen de schakel tussen de natuurwetenschap en de rest van de maatschappij. Iedere natuurkundige merkt dat enige kennis van het werk en leven van Bohr goed van pas komt bij borreltafel en recepties. De giganten van de natuurwetenschap hebben een symboolfunktie. De maatschappij als geheel is in ze geïnteresseerd. Wat had Bohr met Yin en Yang? Wat had Einstein met vrouwen? Brandende vragen voor de gehele samenleving.

Erwin Schrödinger was een briljant Oostenrijks fysicus. Nou en!, zult u zeggen. Hij moest in 1933 uit Berlijn vluchten voor de nazi's. Hij kreeg een baan aangeboden in Oxford. Een grote eer. Nou, en!, zult u zeggen. Maar Erwin woonde in Engeland officieel samen met twee vrouwen. En nu ineens bent u wel geïnteresseerd in die Schrödinger. Wie het met wie deed en doet, is iets wat altijd weer boeit.

Het publiek is geïnteresseerd in de mens achter het wetenschappelijk genie. De natuurwetenschappers hopen deze 'human interest' te kunnen gebruiken om ook belangstelling voor de inhoud van hun vak op te wekken. Erg succesvol is deze aanpak tot nu toe niet geweest.

terug naar index




Luizenplaag
Ik zal u vertellen over wat ik de laatste twee weken heb meegemaakt als gebruiker van een personal computer. Het is een verhaal over muizen en luizen.

Ik moet de eerstkomende twee weken een aantal wetenschappelijke voordrachten houden in Boston. Zoals elke natuurkundige zal ik die lezingen houden aan de hand van overhead-transparanten. Om met mijn tijd mee te gaan, schrijf ik mijn transparanten steeds minder met de hand, maar maak ik steeds meer gebruik van softwarepakketten die speciaal voor dit doel zijn ontworpen.

Het ging al meteen fout. Voordat ik goed en wel de eerste afbeelding met de computer gemaakt had, begaf mijn muis het na vijf jaar trouwe dienst. Dus snel een nieuwe gekocht (Logitech). Na installatie van de software voor de muis bleek dat mijn computer honderd keer trager was geworden. Na twee uur zoeken, kwam ik achter de oorzaak. De muis had luizen. Of beter gezegd het spiksplinternieuwe stuurprogramma van de muis had luizen.

Een luis is de Nederlandse vertaling van het Engelse 'bug', waarmee een ontwerpfout in een computerprogramma aangeduid wordt. Gelukkig kon ik nog ergens op mijn werk een oudere versie van het muisprogramma op de kop tikken dat minder luizen bevatte. Nadat ik deze geïnstalleerd had, was de computer, met muis en al, terug op de oude snelheid. tijd. Ik was alweer een dag verder.

Ik had met mijn presentatie-software (Wordperfect Presentations) na een dag zo'n twintig transparanten ontworpen. In de tussentijd hadden de alom aanwezige luizen mijn computer al zeker twintig keer laten vastlopen. Maar daar weet de getrainde computergebruiker wel mee om te gaan. Toen deed ik iets heel 'stoms'. Net voordat ik de afbeeldingen ging afdrukken, wijzigde ik de instelling van de linker kantlijn. Alle twintig afbeeldingen waren in een klap hinderlijk veranderd en de fout was niet meer te herstellen. Weer een dag verpest.

De volgende dag opnieuw begonnen. Aan het einde van die dag wilde ik de resultaten eerst testen door ze niet in kleur maar in zwart-wit af te drukken. Afdrukken in kleur is langzaam en duur. Helaas kwam steeds maar de helft van de afbeelding op het papier terecht. Na letterlijk meer dan twintig pogingen, en dito vellen gedrukt papier, en een paar uur verder komen ze er eindelijk goed uit.

De volgende dag is alles gereed om in kleur af te drukken. Ik druk de eerste transparant af. Helaas blijkt dan dat slechts een kwart van de afbeelding werkelijk wordt afgedrukt, wel in mooie kleuren. Weer een luis. Uren aan gespendeerd zonder de oplossing te vinden. Ik heb mijn kleurenprinter (Epson) pas acht maanden geleden gekocht, maar blijkbaar was het officiële bijgeleverde stuurprogramma nu al verouderd.

Over vier dagen zou mijn vliegtuig vertrekken. Gelukkig heb ik een abonnement op het Amerikaanse computernetwerk CompuServe. Ik bel via Amsterdam naar Amerika en haal bij Epson het nieuwste stuurprogramma op. Een uur later werkt het. Drie mooie transparanten komen eruit en dan, dan, gaat bij de vierde de printer kapot.

Ik geef niet op. Reparatie duurt te lang, dus koop ik een nieuwe kleurenprinter (Hewlett-Packard). Ik kom thuis en pak de printer uit. Eerst even de printer testen zonder computer. Doet ie het of doet ie het niet? Hij doet het niet. Na een uur proberen en volkomen gestressed de fabrikant gebeld. Samen komen we er uit. De printer start niet als hij aangesloten is aan een computer die niet aanstaat. Dus of computer aan, of kabel eruit. Logisch toch! Alles werkt nu. De vastlopers neem ik nog steeds voor lief.

Als u denkt dat u te maken heeft met de klaagzang van een oude computer-analfabeet, dan heeft u het mis. Ik gebruik al vijf en twintig jaar dagelijks computers.

Ik zou zo'n zelfde verhaal kunnen houden over de software van Microsoft. Of over lokale netwerken. Daar heerst een ware luizenplaag. Hoe vaak horen we niet ergens dat de computer 'down' is.

Het is een gigantische chaos. Hele kantoren worden erdoor ontwricht De spullen van software fabrikanten deugen aan geen kant. In elke ander branche zou het troep worden genoemd.

Alle oplichtingspraktijken van de software-fabrikanten worden geaccepteerd. Niemand durft te protesteren, want je wordt ogenblikkelijk voor een computer-analfabeet uitgemaakt. Wie zwart-wit denkt zoals Marcel van Dam ziet alleen maar voordelen in de digitale revolutie. Zijn secretaresse zal zijn stukjes wel typen. Ook de journalisten in de vakbladen protesteren niet. Die verdienen dan ook hun brood aan deze business.

Steeds meer wordt in onze maatschappij de uitdrukking 'steeds meer' gebruikt. Geen andere uitdrukking symboliseert beter een doorzettende trend. Steeds meer rukt de computer op in ons dagelijks leven.

Wat ik vind van de digitale revolutie? Ik zie steeds meer beestjes om mij heen.

terug naar index




Bewustzijn
Ik lees graag, maar dan wel op de postmoderne manier, dat wil zeggen: Ik lees geen boeken, maar ik lees over boeken. Hier in Cambridge, een voorstadje van Boston, is geen enkel Nederlands dag- of weekblad te krijgen. Ik ben voor mijn informatie over boeken dus aangewezen op The New York Review of Books . In het nummer van 2 november staat een boeiend opstel van de Berkeley filosoof John R. Searle, getiteld Het mysterie van het bewustzijn .

Te speculeren over het bewustzijn is weer helemaal in. Menig gearriveerde natuurwetenschapper vindt het nodig om er een boek over te schrijven. Searle bespreekt er een aantal. Onder het mom van een boekbespreking wordt een geestige, maar ook vooral keiharde, one-manshow opgevoerd. Searle schept voortdurend op over zichzelf.

De Amerikaanse filosoof bewijst dat het bewustzijn niet een computerprogramma is. Het bewijs is dat van de Chinese kamer. Een proefpersoon die geen woord Chinees verstaat, zit opgesloten in een kamer. In de kamer bevindt zich een boek met spelregels (staat voor het computerprogramma) en een grote verzameling van Chinese lettertekens (de gegevensbank). Regelmatig worden er van buiten door een luikje een aantal Chinese lettertekens aan de persoon gegeven (er wordt een vraag gesteld in het Chinees). De proefpersoon kijkt in het boek met spelregels dat hem vertelt welke handelingen hij moet verrichten met deze tekens (hij voert het programma uit). Als resultaat geeft hij een aantal lettertekens door naar buiten: De proefpersoon beantwoordt de vraag.

De proefpersoon is in staat om alle vragen te beantwoorden, terwijl hij geen woord Chinees begrijpt. Als voor de proefpersoon het uitvoeren van een programma niet voldoende is om Chinees te begrijpen, zal dat ook gelden voor elke computer, omdat geen enkele computer iets heeft wat de proefpersoon niet heeft. Een computer zal dus nooit Chinees, of welke taal dan ook, begrijpen.

Hebben de hersenen dan niets van een computer? Maar natuurlijk wel, zegt Searle. Een raam heeft ook iets van een computer: Raam dicht is 0 en raam open is 1.

Voortdurend maakt filosoof Searle de wereldberoemde natuurwetenschappers Francis Crick en Roger Penrose belachelijk. Honderden pagina's ingewikkelde quantummechanica van Penrose worden afgedaan als irrelevant voor het probleem van het bewustzijn. Crick krijgt een lesje in wat reductionisme inhoudt. Het gevoel van pijn kan nooit worden gereduceerd tot alleen maar de werking van neuronen.

Ook de Amsterdamse Boekengids van afgelopen september doet mee aan de trend van aandacht voor het bewustzijn. De Utrechtse hoogleraar-bioloog Wim van de Grind besprak daarin ongeveer dezelfde boeken als Searle nu doet. Van de Grind moet natuurlijk veel meer op zijn woorden passen als Searle want hij bespreekt werk van collega-natuurwetenschappers. Verder is van de Grind als echte Nederlander bescheiden over zijn eigen bijdragen. Maar ook hier is sprake van een boeiend verhaal met humor en tussen de regels door heel wat venijnige kritiek.

'Wat is bewustzijn?' behoort tot de top-drie van de Grote Vragen. De andere zijn 'Bestaat God?' en 'Hoe is de wereld ontstaan?'. De Grote Vragen spreken tot de verbeelding van iedereen. Menig wetenschappelijke discipline heeft in de loop der tijden beweerd het antwoord te hebben op een van de Grote Vragen. Elke keer weer trapt het publiek daar in.

Als wetenschappers met hun werk naar Grote Vragen refereren staan, ze meteen middenin de belangstelling. In de natuurkunde waren er in de jaren zeventig een paar slimme natuurkundigen in Californië bezig om het magnetisme van stoffen zoals ijzer te verklaren door gebruik te maken van computerprogramma's. Magnetisme is een technisch onderwerp en geen buitenstaander was geïnteresseerd in hun werk. Totdat ze op het briljante idee kwamen om deze computerprogramma's 'neurale netwerken' te noemen. Het heeft ze geen windeieren gelegd. De implicatie was duidelijk. De hersenen werken net als deze computerprogramma's.

Ik heb een van deze 'neurale netwerkers' serieus horen verdedigen dat zijn computerprogramma's ook mensenrechten zouden moeten krijgen. Wie mag bijvoorbeeld de stekker uit het stopcontact trekken als zo'n computerprogramma is vastgelopen? Dat is vergelijkbaar met actieve euthanasie.

De feitelijke situatie is dat bij de beantwoording van de Grote Vragen in tweeduizend jaar weinig tot geen vooruitgang is gemaakt. De vragen raken de grondslagen van de wetenschap en zelfs een goede formulering van de vragen alleen al vergt filosofische scholing. Als er vorderingen worden geclaimd, blijkt achteraf dat het - vaak briljante - wetenschappers betreft die buiten hun boekje zijn gegaan en als amateurfilosofen flink aan het blunderen zijn geslagen.

terug naar index




ET en zijn makkers
Als de sterrenkunde ons iets leert, is het wel dat de aarde en de zon geen speciale plaats innemen in het heelal. Waarom zou de mens dan wel speciaal zijn? Waarom zouden er niet nog meer plekken in het heelal zijn waar intelligente wezens voorkomen. Het zoeken naar buitenaardse intelligentie wordt in de Verenigde Staten SETI genoemd ('Search for Extra-Terrestrial Intelligence').

Het grote publiek is geïnteresseerd in buitenaardse wezens. De film ET was een succes en op dit moment is de tv-serie The Twilight Zone een hit in Amerika. Omdat in science fiction buitenaardse wezens zo onwetenschappelijk worden beschreven, durven de meeste wetenschappers het niet aan om aan het onderzoek naar buitenaardse intelligentie mee te doen. Ze zijn bang dat ze worden geassocieerd met die onzinnige science fiction.

Het merendeel van de wetenschappers twijfelt er niet aan dat buitenaardse intelligentie bestaat. Hoe sporen we deze buitenaardse wezens op? Waar zit ET? Volgens onze aardse opvattingen houdt intelligentie de mogelijkheid en de wil in om te communiceren. Die buitenaardse wezens kunnen dus communiceren en misschien proberen ze wel met ons in contact te komen. Hoe doen ze dat? Ze zitten heel ver weg van ons. De communicatie moet snel gaan, want anders doen hun seinen er een eeuwigheid over om hier te komen.

ET en zijn makkers zijn slim en zij weten dus welke communicatiemiddelen ze moeten gebruiken. Maar wij weten ook welke middelen ze gebruiken. Want, is dat even geluk, onze natuurwetten zijn ook hun natuurwetten. Voor buitenaardse beschavingen geldt ook dat geen enkel signaal zich sneller kan voortplanten dan met de lichtsnelheid. Ongetwijfeld maken zij voor communicatie gebruik van stralen die met deze maximumsnelheid gaan, zoals licht, of radargolven, of radiogolven. Die golven die ET uitzendt, kunnen we proberen op te vangen met telescopen.

Dat is dus zo geregeld. Even aan de collega's sterrenkundigen vragen of we hun telescoop een jaartje mogen lenen om naar ET te zoeken. Maar die sterrenkundigen kijken naar supernova-explosies en pulsars. Die krijg je van hun leven niet van hun telescopen af.

Verleden week was er op de Universiteit van Harvard een feestje ter gelegenheid van de ingebruikstelling van een speciale radiotelescoop. Financiering van de telescoop gebeurde o.a. door NASA. De 26-meter telescoop wordt geheel gebruikt voor onderzoek naar buitenaardse intelligentie. Het is het geesteskind van Paul Horowitz. Paul is hoogleraar in de elektronica op Harvard. Onder zijn leiding werd de benodigde elektronica voor het project ontworpen.

De elektronica bestaat uit uiterst moderne signaalverwerkingsapparatuur gekoppeld aan een supercomputer van eigen ontwerp. Er zijn allerlei trucs ingebouwd om valse signalen - bijv. komend van de aarde of van onze eigen ruimtesatelieten - te scheiden van de echte groeten van ET. Er is tot nu toe nog niets gevonden. Wel werden de noodsignalen van een allang opgegeven, ver van ons verwijderd ruimtevaartuig opgevangen. Hulp kon niet worden geboden.

En nu de bekende vraag: wat is het nut van dit onderzoek? Hoe groot is de kans dat ze iets vinden? Die kans is niet groot. Maar als ze ergens een buitenaardse beschaving ontdekken, is het wel de grootste ontdekking aller tijden. Vele vragen komen in je op. Voeren ze daar ook oorlogen? Is de God van ET even liefdeloos als die van Abraham? In Rome hebben ze het antwoord al klaar: Het is hun God die ons die signalen stuurt en ons de indruk geeft dat er buitenaardse wezens zijn.

Vele Amerikaanse media hebben aandacht besteed aan de feestelijke ingebruikstelling van de SETI-telescoop. Toch is SETI-onderzoek controversieel onder wetenschappers. Ik kreeg heel wat negatieve reacties toen ik tegen Amerikaanse collega's bekende dat ik bij de festiviteiten was geweest. Een paar dagen later ging ik op bezoek bij Dave Pritchard die op MIT (Massachusetts Institute of Technology ) werkt. Dave is een briljant natuurkundige die prachtige experimenten doet met licht. Hij publiceert vele aandachttrekkende artikelen per jaar in het toptijdschrift Physical Review Letters . Ik vraag Dave wat hij van SETI-onderzoek vindt.

Hij zegt niets, staat op en pakt een boek van zeker duizend pagina's en laat het aan mij zien. Het is het verslag van een wetenschappelijke conferentie die kort geleden door Dave en zijn vrouw georganiseerd werd. Het echtpaar Pritchard voerde ook de redactie over het boek. Het onderwerp van de conferentie en de titel van het boek luidde Ontvoering door buitenaardse wezens ('Alien Abduction') . De conferentie ging over wetenschappelijk onderzoek naar de waarheid van de verhalen van mensen die zeggen dat zij door buitenaardse wezens zijn ontvoerd.

terug naar index




File-theorie
Zonder transport geen leven. Op elk moment van de dag bevinden vele mensen zich op een plek waar ze niet willen zijn. Ook goederen bevinden zich vaak op de verkeerde plek. De oplossing voor deze problemen heet vervoer. Ook in het menselijk lichaam is transport essentieel. Zo essentieel dat dit transport regelmatig wordt gebruikt in vergelijkingen: Goed-functionerende wegen worden vergeleken met slagaders.

Er kan veel fout gaan bij het transport. Er ontstaan verstoppingen en files. Hoe lossen we deze problemen op? Laten we eens kijken hoe moeder Natuur haar transport verzorgt bij levende organismen. Zij heeft gekozen voor een grove, ouderwetse techniek: de goederen worden rondgepompt in buizen. Verstoppingen van dit buizenstelsel bij de mens worden door de chirurg bestreden met een bypass, een uitvinding van de loodgieter.

Je zou verwachten dat bij het tegengaan van de files op de autowegen gekozen wordt voor modernere, meer verfijnde high-tech oplossingen. Bijv. door meer computers in te schakelen. Het verkeer gaat dan niet over de gewone maar over de digitale snelweg. Dat is inderdaad een alternatief, maar helaas niet weggelegd voor Nederland. Afgezien van onze moderne landbouw heeft Nederland geen enkele high-tech industrie van betekenis. Dit land heeft allang en definitief gekozen voor simpele, primitieve technieken. Het stimuleren van kennisintensieve bedrijven beperkt zich tot misselijk-makende, gratuite propaganda van minister Wijers.

De hele digitale revolutie is aan ons bedrijfsleven voorbijgegaan. Computers kopen en spelletjes spelen, dat kunnen wij Nederlanders wel. Maar creatief zijn en op dat gebied iets produceren, is er niet bij. Geen enkele Hollandse software is geschikt is export. Telewinkelen en telebankieren zijn ontwikkelingen die de noodzaak tot vervoer van personen zou kunnen verminderen. Helaas, de banken, verzekeringsmaatschappijen, grootwinkelbedrijven, ze laten het allemaal afweten op dit terrein. De enige gunstige uitzondering is het telebankieren bij de Postbank.

Dit is een land waarin elk high-tech activiteit tot falen is gedoemd. Wij moeten het fileprobleem aanpakken met eenvoudige, primitieve oplossingen. Dat betekent dat we veel meer wegen moeten bouwen en dat we tegelijkertijd het gebruik van die wegen zullen moeten afremmen door tol te heffen. Ik heb het niet over ingewikkeld rekeningrijden met chips die ingebouwd zijn in auto's en in wegen. Dat is veel te hoog gegrepen. Gewoon tolhuisjes plaatsen waar contant moet worden betaald. Geen abonnementen. Geen administratie. Veel banen.

Voor u is de file een irritant verschijnsel, maar voor wetenschappers is het optreden van files heel boeiend. Veel natuurwetenschappelijke principes kunnen worden gedemonstreerd aan de hand van het verkeer. De Fransen hebben een plastische beschrijving van vlot verkeer. Als er geen files zijn, spreken zij van 'fluïde verkeer'. En zo is het ook, de verkeersstroom gedraagt zich als een fluïdum. Als een vloeistof. Als er een file staat, is het fluïdum gestold.

Kan een wetenschappelijke studie van de eigenschappen van files helpen bij de oplossing van files op de autosnelwegen? Een hele tak van de wiskunde houdt zich bezig met de vorming van rijen en files. De theorie is tot bloei gekomen doordat de behoefte ontstond om telefooncentrales en telefoonlijnen optimaal te benutten. Deze wiskunde heeft echter grote moeite om rijen te beschrijven waar psychologische factoren in rekening moeten worden gebracht. De theorie is van weinig nut bij het bestrijden van filevorming op de snelwegen omdat de psychologie van de bestuurders bij die filevorming juist een belangrijke rol speelt.

Het transport in de natuur is vaak grof en primitief. Alles klotst en botst. Zijn er in die natuur echt helemaal geen voorbeelden te vinden van hoogstaande vormen van transport waar we lering uit zouden kunnen trekken? Die uitzonderingen zijn er wel degelijk. Sommige vormen van transport - zoals supergeleiding - zijn werkelijk zeer verfijnd: dit buitengewoon efficiënte transport vindt plaats zonder botsingen en zonder wrijving. De wetenschapper noemt dit transport superfluïde. Dit vervoer zonder wrijving kent wel een maximumsnelheid. Indien de snelheid van superfluïde transport wordt opgevoerd tot boven die toegestane maximum snelheid, verwordt het transport weer tot de primitieve vorm met botsingen en wrijving.

Kunnen we van dit verschijnsel van superfluïditeit iets leren voor het autoverkeer. Jazeker. Als we de maximumsnelheid op de snelwegen reduceren 50 km/uur zullen alle automobilisten met die snelheid gaan rijden. Het verkeer wordt superfluïde en alle files zijn opgelost. Helaas, geen Minister van Verkeer en geen pooier in Amsterdam zou die maximumsnelheid accepteren. Dan staan ze toch maar liever in de file met een grote glimmende auto.

terug naar index




Servisch genie
Uitvinders, hoe geniaal ze ook zijn, raken snel in de vergetelheid. In hun glorietijd worden ze door het grote publiek op handen gedragen. Hun namen komen echter nooit in de leerboeken en hun bekendheid verbleekt daarom snel. Het negeren door de gevestigde wetenschap van uitvinders past geheel in onze cultuur waarin mensen die met hun hoofd werken, neerkijken op mensen die met hun handen werken.

Noemt u eens een paar belangrijke uitvinders van de laatste honderd jaar? Waarschijnlijk komt u met Edison en Bell aanzetten. Maar dan ziet u wel de meest geniale over het hoofd. Ik heb het over Nicola Tesla (1856-1943), een in Kroatië geboren Serviër, die het grootste gedeelte van zijn leven heeft doorgebracht in de Verenigde Staten.

De figuur van Nicola Tesla is herontdekt, niet door de wetenschap of het grote publiek, maar door New Age kringen. De belangstelling van deze zachte sector voor Tesla maakt een eventuele herwaardering door de wetenschappelijke gemeenschap van deze uitvinder bij voorbaat kansloos. De uitspraken en ideeën van Tesla zijn ook zo controversieel dat het voor een wetenschapper wel heel moeilijk wordt om hem serieus te nemen. Nicola verklaarde met Mars te kunnen communiceren en hij beweerde ook buitenaardse signalen te hebben ontvangen.

Tesla kreeg een patent toegewezen waarin sprake is van een ideale energiebron, die gebaseerd was op het omzetten van stralingsenergie - van zonnestralen of kosmische stralen - in mechanische energie. De hele wereld zou voor eeuwig en altijd gratis energie kunnen putten uit deze zonnecel. Deze gepatenteerde vinding is in strijd met vele wetten van de natuurkunde.

Tesla-vereerders organiseren regelmatig conferenties waarin wordt gesproken over een wereldwijd komplot: De CIA en de grote oliemaatschappijen zouden tot op de dag van vandaag het ontwikkelen van de energiebron van Tesla tegenhouden omdat het de wortels van de kapitalistische maatschappij zou aantasten.

Tesla zei te beschikken over een allesdodende straal. Bij de dood van Tesla zou de CIA zijn kluis, die gevuld was met schema's van uitvindingen, leeggehaald hebben om te voorkomen dat de dodende straal in handen zou vallen van een vreemde mogendheid. Met een andere uitvinding van Tesla zou het weer kunnen worden beïnvloed. Uitvindingen van Tesla die kunnen worden gebruikt om menselijke organen elektrisch te stimuleren, zijn populair in de alternatieve geneeskunde.

Een wetenschapper die deze feiten onder ogen krijgt, haalt meteen zijn neus op voor zo'n kwakzalver. Maar Tesla was ontegenzeglijk een genie. Hij was de uitvinder van de wisselstroom, in die tijd ook wel teslastroom genoemd. Edison organiseerde een hetze in de media om de invoering van de wisselstroom tegen te houden. Dankzij de steun van de grootindustrieel George Westinghouse slaagde Tesla er toch in de maatschappij voor zijn vindingen te winnen. Toen voor het eerst in de VS de doodstraf werd uitgevoerd met de elektrische stoel, hetgeen gebeurde met wisselstroom, zei Edison dat de misdadiger 'gewestinghoused' was.

Wisselstroom bleek zoveel voordelen te hebben boven gelijkstroom dat de gehele wereld snel en voor altijd overstapte op wisselstroom, daartoe in staat gesteld door de wisselstroomuitvindingen van Tesla. Tesla vond ook de tesla-spoel uit. Met die spoel kunnen hoogfrequente spanningen van miljoenen volts worden gegenereerd die tamelijk ongevaarlijk zijn voor de mens. Zo'n spoel zit in elke radio en tv. Tesla kon met deze spoel lampen laten branden waar geen draad aan zat.

Nicola was zijn tijd ver vooruit. Hij was bezig met radio voordat Marconi dat deed. Hij was de uitvinder van afstandsbediening (teleautomatica zoals hij het noemde). Toen de mensen niet geloofden dat dit mogelijk was, demonstreerde hij dit principe voor een grote mensenmassa bij een Wereldtentoonstelling door een boot op afstand te besturen in een vijver in Madison Square Garden. Hij was gefascineerd door het verschijnsel van resonantie. Hij bouwde vibrators die trillingen veroorzaakten die wolkenkrabbers op de rand van instorten brachten.

De uitvindingen van Tesla worden overal toegepast, maar zijn naam wordt er nooit bij vermeld. Het enige dat nog van hem overblijft in de wetenschap is de eenheid van sterkte van magneetveld die naar hem is genoemd: de tesla. Maar geen wetenschapper of ingenieur die nog het verband kent tussen de eenheid tesla en de uitvinder Tesla.

Nu de maatschappij het belang van toepassingen van wetenschap hoog in het vaandel heeft geschreven, zullen de briljante uitvinders wel een herwaardering ondergaan. Maar ik vrees dat men Nicola Tesla wel zal overslaan.

terug naar index




Klimaat en Popper
Het was spannend tot op het laatste moment. Wat zouden de vertegenwoordigers van Nigeria en Koeweit doen? Gelukkig stemden ook zij in met het afgezwakte eindrapport van het IPCC (Intergovernmental Panel for Climate Change). De uitkomst werd triomfantelijk rondgetetterd door alle nieuwsdiensten: het bestaan van het broeikaseffect was wetenschappelijk en onomstotelijk aangetoond.

Het IPCC is een dochter-organisatie van de Verenigde Naties. Niet alleen voor politici maar ook voor wobo's - bonzen van organisaties voor wetenschappelijk onderzoek - is het IPCC een lichtend voorbeeld van hoe wetenschappelijk onderzoek georganiseerd zou moeten worden. Met zijn allen praten over een wetenschappelijk probleem totdat er consensus is bereikt. Kan men niet tot overeenstemming komen, dan wordt er eerst nog gestemd en daarna is het probleem opgelost. De media nemen klakkeloos de conclusies over. Geleerden van buiten de wereldwijde organisatie die blijven tegenstribbelen kunnen als querulanten te kijk worden gezet.

De wobo's krijgen steeds meer invloed in de wetenschap. Wobo's zijn gemakkelijk te herkennen. Ze hebben allang opgegeven om nog wetenschappelijke prestaties te leveren. Dat is veel te moeilijk voor ze. Macht veroveren is het enige wat voor wobo's overblijft. Wobo's spelen de baas over die eigenzinnige wetenschappers. Ze vertegenwoordigen de wetenschappers in de buitenwereld. Wobo's houden van planning van wetenschappelijk onderzoek. Wobo's houden van consensus. Wobo's houden van vergaderingen. Ze kunnen ook uitstekend vergaderen. Wobo's houden van wetenschappelijke samenwerkingen. Wobo's en politici vinden dat wetenschappers veel meer zouden moeten samenwerken.

Hun argumentatie lijkt waterdicht. Het financieel ondersteunen van twee wetenschappelijk groepen die precies hetzelfde wetenschappelijke doel najagen, is geldverspilling. Eén groep is toch genoeg. In het belang van de belastingbetaler moeten elkaar beconcurrerende groepen gedwongen worden om samen te werken. Er zijn dan minder investeringen en minder wetenschappers nodig. Des te meer groepen meedoen aan een samenwerking des te beter. Het toppunt van efficiëntie is één wereldwijde samenwerking.

Maar die redenering gaat mank. Wetenschappers moeten niet per definitie tot in het oneindige proberen samen te werken en consensus te zoeken. Wetenschap is geen politiek. Consensus is de dood voor wetenschap. Er moet altijd strijd blijven. Wetenschappers moeten mede gemotiveerd worden door de drang om andere wetenschappers af te troeven. In de wetenschap is gebleken dat dat de enige manier is om achter de waarheid te komen.

Een mooi voorbeeld van waar samenwerking tot besparingen zou kunnen leiden, lijkt de hoge-energiefysica. In het Fermi-lab bij Chicago jagen twee geheel onafhankelijke groepen, elk bestaande uit honderden wetenschappers, precies hetzelfde doel na: het ontdekken van de topquark. Het zou voor de hand liggen om die twee groepen te halveren en ze intensief te laten samenwerken. Maar de Amerikanen laten die twee groepen juist concurreren teneinde onafhankelijke wetenschappelijke gegevens boven tafel te krijgen en de wetenschappelijke waarheid te ontdekken. De Amerikanen willen voorkomen dat een groep een monopolie zou krijgen en dat er dan gestemd zou gaan worden of het topquark nu wel of niet ontdekt is.

Grote wetenschappelijke samenwerkingen leiden tot grote bureaucratie en tot veel vergaderingen, allebei trouwens specialismen van de VN. Bij de laatste Vergadering voor Sociale Ontwikkeling van de VN in Kopenhagen waren er 4000 escort-dames nodig om de vergaderaars door de eenzame uren heen te helpen en ook voor dit logistieke hoogstandje kon de VN zorgen. De IPCC-vergaderingen zullen wel goed verzorgd worden door de VN.

Ik heb iets tegen het IPCC. Zoals elk adviserend lichaam met een monopoliepositie zal het met alle middelen trachten zichzelf in stand te houden. De opzet van het IPCC is van dien aard dat een aanval op zijn wetenschappelijke conclusies een wetenschappelijke zelfmoord inhoudt. Toch zijn die aanvallen hard nodig. Zoals de filosoof Popper ons heeft geleerd, moet een hypothese worden aangevallen. Moet een hypothese zelfs vaak worden aangevallen. Door onafhankelijke wetenschappers. De wetenschap is gediend met slimme dwarsliggers. De waarheid kan niet worden vastgesteld door de inquisitie.

Als je echt iets over het klimaat te weten wilt komen, zul je ook wetenschappers geld moeten geven om buiten IPCC-verband om het klimaat te bestuderen. Welk koninklijk meteorologisch instituut durft het aan om te proberen de conclusies van het IPCC onderuit te halen? In naam van de wetenschap.


terug naar index